Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7953.

schrijving van „loterij" past, is voorzien bij de artikelen 3 en 4 van het ontwerp, waarover daar ter plaatse zal worden gehandeld.

HUOUE KAAD DEK NEDEKLAJNUtüJN.

Kamer van Yacantie.

Zitting van den 18 Juli 1903.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Libfsting.

Raadsheeren, Mrs.: A. A. de Pisto, Jhr. P. R. Feith, Jhr. B. C. de Jonge, S. M. S. de Ranitz, Jhr. W. H. de Savornin Loman en A. P. L. Nelissen.

Het candidaalsexamen in de rechtswetenschap behoort niet tot de in art. 1 b 4°. der kieswet bedoelde examens.

De adv.-gen. Noyon heeft in deze zaak de volgende concluse genomen:

Edel Hoog Achtbare, Heerenl

De requirant, die op grond van afgelegd candidaats-examen in de rechtsgeleerdheid zijne plaatsing op de Kiezerslijst heelt gevorderd, stelt tegen de beschikking van den rechter m het eerste kanton te Amsterdam van 29 Mei j.1. waarbij zijne a'vPe" ring van de lijst is bevolen, twee cassatiemiddelen voor ; beide betreffen beweerde schending en verkeerde- toepassing van de artikelen 1, 2, 36, 37, 38 en 39 der Kieswet in verband met de artikelen 11, 12, 36, 37, 84, 85, 91 en 92 der wet van 28 April 1876 (Staatsblad no. 102) tot regeling van het Hooger Onderwijs, zooals die is gewijzigd 'bij de Wet van 7 Mei 18 ia (Staatsblad no. 33) en met artikel 2 § 2 van het Koninklijk Besluit van 27 April 1877 (Staatsblad no. 87) zooals dit is gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 22 Juli 1893 (Staatsblad no. 119) en 24 Juli 1901 (Staatsblad no. 195).

Tot toelichting van het eerste middel wordt verwezen naai requirants verzoekschrift aan Burgemeester en Wethouders van Amsterdam, waarin wordt betoogd dat art. 1, b, sub 4 der Kieswet wel aan de examens waarvan het afleggen kiesbevoegdheid geeft den eisch stelt van verband met benoembaarheid tot eenig ambt, vervulling van eenige betrekking of uitoefening van eenig bedrijf of beroep, voor zoover zij bij algemeenen maatregel van bestuur worden aangewezen, maar niet aan de examens, ingesteld door of krachtens de wet, tot welke laatste het candidaats-examen behoort.

Het bedoelde artikel, zooals het luidde vóór de wijzigingswet van 1890, sprak van voldaan hebben aan de eischen van bekwaamheid, door of krachtens de wet gesteld voor de benoembaarheid tot eenig ambt (om nu maar bij deze te blijven). Aan examens, die buiten alle verband met de benoembaarheid staan, kan toen niet gedacht zijn.

Er zou dus moeten aangetoond worden dat of de bedoeling der wijziging was het verband tusschen de benoembaarheid en de door of krachtens de wet ingestelde examens te verbreken óf de letter der wet dat verband feitelijk verbroken heeft.

Van die bedoeling blijkt uit de geschiedenis der wijziging niet. Het was blijkens de toelichting er uitsluitend om te doen oo,;. andere examens dan die welke door of krachtens de wet zijn ingesteld te erkennen als leidende tot kiesbevoegdheid; er wordt dan ook gesproken in de Memorie van toelichting van liet verband tusschen examen en benoembaarheid „waarvan de wet reeds thans gewaagt . Uitbreiding alzoo van wettelijke tot andere examens, maar geene wijziging in de kracht der examens. . r.

En ook de woorden rechtvaardigen niet requirants lezing. Er wordt gesproken van een examen „ingesteld door of krachtens de wet of aangewezen bij algemeenen maatregel van bestuur en in verband staande met de benoembaarheid. Blijkbaar is deze bepaling, die zelfs door geen enkel leesteeken is afgedeeld, in haar geheel op elk examen toepasselijk.

Het tweede middel berust op de stelling dat het candidaatsexamen toch ook in verband staat met de benoembaarheid tot bepaalde ambten, als leidende tot het doctoraat dat daarvoor een vereischte is. Over de onjuistheid van deze opvatting van het woord verband gaf de Hooge Raad op 12 Juni j.1. (1) eene beslissing, waarnaar ik kortheidshalve kan verwijzen onder opmerking dat mij geene wetsbepaling bekend is die aan het candidaats-examen op zich zelf eenige bevoegdheid verbindt.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep met veroordeeling van den requirant in de kosten.

De Hooge Raad enz. ;

Beschikkende op een verzoekschrift van J. G. Willing, wonende te Amsterdam, ten deze vertegenwoordigd door den Ad vocaat Mr. H. J. M. de Vries te 's Gravenhage, strekkende tot vernietiging van eene beschikking van den Kantonrechter in het eerste kanton, arrondissement Amsterdam, van 29 Mei 1903, waarbij op het beroep van G. Willing, vader van den verzoeker, wonende te Amsterdam, met vernietiging van eene beschikking van B. en W. van 14 Mei te voren, bij welke op het verzoek van den verzoeker de plaatsing van diens naam op de kiezerslijst der gemeente Amsterdam was bevolen, bij provisie wijziging dier kiezerslijst is bevolen en gelast dat de naam van den verzoeker daarvan zal worden afgevoerd ;

Gezien de stukken ;

Overwegende, dat als middelen van cassatie tegen de beschikking van den Kantonrechter zijn aangevoerd:

I. Schending en verkeerde toepassing van de artt. 1, 2, 36, 37, 38 en 39 der Kieswet, in verband met de artt. 11, 12, 36, 37, 84, 85, 91 en 92 der wet van 28 April 1876 (Stbl. no. 102) tot regeling van het hooger onderwijs, zooals die is gewijzigd bij de wet van 7 Mei 1878 (Stbl. no. 33) en met art. 2 §2 K. B. van 27 April 1877 (Stbl. no. 87), zooals dit is gewijzigd bij de K. K. Besl. van 22 Juli 1893 (Stbl. no. 119) en 24 Juli 1901 (Stbl. no. 195), doordien de Kantonrechter heeft beslist, dat door het aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam met goed gevolg afgelegd hebben van het candidaatsexamen in de rechtswetenschap niet wordt voldaan aan de door art. lb 4° der Kieswet gestelde voorwaarde voor kiesbevoegdheid en zulks op grond, dat dit examen niet zou staan in verband met de benoembaarheid tot eenig ambt, de vervulling van eenige betrekking of de uitoefening van eenig bedrijf of beroep, terwijl genoemd examen behoort tot die, welke zijn ingesteld door of krachtens de wet, en gemeld art. lb 4° het daarbij bedoeld verband alleen eischt ten aanzien van die examens, welke bij algemeenen maatregel van bestuur zijn aangewezen;

(1) Nader opgenomen in W. 7931.

II. Schending en verkeerde toepassing van dezelfde artikelen bij het eerste middel van cassatie genoemd, in verband met de daarbij genoemde wetsbepalingen, doordien de Kantonrechter heeft beslist dat bij geen wetsbepaling het met goed gevolg -afleggen van het candidaatsexamen in de rechtswetenschap in verband staat met de benoembaarheid tot eenig ambt, de vervulling van eenige betrekking of de uitoefening van eenig beroep of bedrijf, terwijl door het afleggen mede van genoemd examen wordt verkregen het doctoraat in de rechtswetenschap, hetwelk de bevoegdheid tot het bekleeden van de bij voornoemd art. 92 der wet van 28 April 1876 (,Stbl. no. 102) bedoelde ambten, be* trekkingen of beroepen geeft en dit examen dus in verband staat met de benoembaarheid tot eenig ambt, de vervulling van eenige betrekking of de uitoefening van eenig beroep ;

O., dat de verzoeker wenscht dat zijn naam op de kiezerslijst der gemeente Amsterdam worde geplaatst op grond, dat hij zooals vaststaat, op 24 Maart 1896 aan de gemeentelijke Universiteit te Amsterdam met goed gevolg heeft afgelegd het candidaats-examen in de rechtswetenschap;

O. dat tot staving van de stelling van het eerste middel een beroep wordt gedaan op de bepaling van het aangehaald art. 1 b 4° der Kieswet, waarin de woorden : „en in verband slaande" enz. slechts op het onmiddellijk voorafgaande — dat zijn de examens aangewezen bij algemeenen maatregel van

bestuur en niet op die ingesteld -oor of krachtens de wet,

zouden slaan en op de terminologie van art. 1 van den ter

uitvoering van gemelde bepaling der Kieswet bij K. B. van 4 Febr. 1901 (Stbl. no. 58), uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur;

O. echter dat uit niets blijkt, dat bij de wijzigingswet van 8 Dec. 1900 (Stbl. no. 208), losgemaakt is het bij art. 1, b, 4° der Kieswet van 1896 voor de daar bedoelde door of krachtens de wet ingestelde examens, waaraan het kiesrecht werd verbonden, geëischt verband met de benoembaarheid tot eenig ambt, de vervulling van eenige betrekking of de uitoefening van 'eenig bedrijf of beroep, doch de strekking der wijziging alleen is "geweest het kiesrecht ook te verbinden aan bij algemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen examens met gelijk verband;

O., dat dan ook de woorden van de wetsbepaling zooals zij thans luidt: „en in verband staande met de benoembaarheid" enz eveneens "betrekking hebben op de door of krachtens de wet ingestelde examens als op die aangewezen bij algemeenen maatregel van bestuur; — terwijl door de Regeering in de Mem van Toel. van het wetsontwerp gewezen werd op het verband dat „blijft gelegd tusschen het afleggen van een examen eenerzijds en de benoembaarheid tot eenig ambt enz., waarvan de wet — dat is die van 1896 — reeds thans gewaagt, anderzijds" ,<JHand. Staten-Gen. 1899/1900, Bijlagen, no. 188, 3, blz. 7);

O.,dat het tweede middel van cassatie evenmin steun vindt in de geschiedenis van de wijzigingswet van 1900 van de Kieswet blijkens welke de Regeering uitdrukkelijk heeft vastgehouden aan den eisch dat ,,de examens, die men op het oog had, dienen om het bewijs te leveren, dat de geslaagde candidaten geacht worden voor een zeker ambt, betrekk'ng, beroep of bedrijf de noodige kennis te bezitten" (Hand. Staten-Gen. t. a. pl. no. 188, 5, blz. 28);

O. dat met het candidaats-examen in de rechtswetenschap op zichzelf dusdanig vermoeden niet is verbonden, terwijl de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat het niet door het doctoraat, waarmede dat vermoeden wèl is verbonden, zal worden gevolgd ;

O., dat mitsdien de beide voorgestelde middelen van cassatie zijn ongegrond;

Verwerpt het beroep.

Kamer van Strafzaken

Zitting van den 15 Juni 1903.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbekb.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, Jhr. P. R. Feith, A. J.

Clant van der Mijix, Jhr. D. G. van Teylingen, Jhr. W.

H. de Savornin Lohman en A. P. L. Nelissen.

In elk strafgeding komt den rechter uitsluitend toe het oordeel over de vraag, of het door hem bewezen verklaarde feit valt onder het bereik der daartegen door het O. M. ingeroepen verbods- of strafbepaling.

Art. 216 der Alg. Pol-verordening van Amsterdam bevat echter niets wat in strijd is met deze stelling.

Immers, waar eene overtreding van dit artikel niet bestaat zonder dat blijkt van het daarin vermelde oordeel der politie, is dit oordeel een element der overtreding, waarvan, evenals van de overige elementen, het bestaan in elk bijzonder yeval staat ter beoordeeling van den rechter.

Overigens bevat het bij het bestreden vonnis gewraakte voorschrift niets, dat in strijd is met de Grondwet of met eenige andere wet, terwijl de beoordeeling van de inwendige waarde van dit voorschrift door art. 11 Alg. Bep. den rechter wordt onttrokken.

De Off. van Just. bij de Arr. Rechtbank te Amsterdam, is requirant van cassatie tegen een vonnis van die Rechtbank van 13 Maart 1903, waarbij in hooger beroep is bevestigd het vonnis van den rechter in het 3e kanton van het arrondissement Amsterdam van 18 Nov. 1902, bij welk vonnis de gerequireerde L. de J., oud 43 jaren, van beroep caféhouder en grondwerker, wonende te Amsterdam, is ontslagen van alle rechtsvervolging ;

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer de Pinto. heeft de adv.-gen. Noyon de volgende conclusie genomen:

lidele Hoog Achtbare Heeren, President en Raden '

Bij art. 216 der Algemeene politieverordening van Amsterdam wordt verboden het vervoer o.a. van aarde anders dan in wagens of bakken die, ter beoordeeling van de politie, zoodanig zijn ingericht en worden gebruikt dat het storten of wegstuiven van den inhoud voorkomen worde.

De Rechtbank te Amsterdam acht dit verbod niet-verbindend, omdat „waar het oordeel der politie is gemaakt tot element van het strafbare feit, de rechter niet zou mogen onderzoeken of al dan niet een bepaalde wagen zóó was ingericht dat storten of wegstuiven van den inhoud werd voorkomen, doch zich krachtens zoodanig artikel zou hebben te gedragen naar het oordeel van een poi.-tiebeambte, terwijl oordeelen juist de taak is van den rechter die in ieder voorkomend geval in volle vrij

heid moet kunnen nagaan of de telastgelegde feiten naar zijne opvatting van de wet bewezen-en strafbaar zijn".

Terecht komt de requirant hiertegen op niet zijn eenig middel van cassatie: Schending door niet-toepassing van de artikelen 216 en 119 der Algemeene Politievrordening van Amsterdam, vastgesteld door den Raad dier gemeente den 26en Maart 1902 en afgekondigd den 5 Mei daaraanvolgende, in verband met de artikelen 214 j°. 257 Strafvord.

Men heeft zich toch maar rekenschap te geven van den inhoud der verbodsbepaling, het gebruiken van wagens of bakken die naar het oordeel der politie geenen waarborg opleveren tegen storten of verstuiven. De redeneering der Rechtbank zou slaan op een verbod van het gebruik van wagens of bakken die niet zóó zijn ingericht als de verordening dat wil, indien nevens dit algemeene verbod bepaald mocht zijn dat de ^ Rechter zich ter beoordeeling van de vraag of de verlangde inrichting aanwezig is moest houden aan de uitspraak der politie. Maar zoo algemeen is het verbod juist niet gegeven: het is beperkt tot het geval dat de politie haar oordeel uitspreekt.

Binnen de grenzen van het verbod zooals de verordening -dat geeft, is de rechter volkomen vrij in de beoordeeling van het bewezene en het strafbare van het telastgelegde.

Eene gelijksoortige verordening werd, zooals bij de memorie van cassatie in herinnering wordt gebracht, door den Hoogen Raad gehandhaafd bij arrest van 22 October 1900, Wbl. 7507, R. 186 bl. 123.

Ik concludeer tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en van het daarbij bevestigde vonnis van den rechter in liet 3e kanton te Amsterdam, voor zoover daarbij het bewezen verklaarde feit niet-strafbaar is verklaard, quaiifleatie van dat feit als het vervoeren van aarde op den openbaren weg^ te Amsterdam anders dan in wagens of bakken die ter beoordeeling van de politie zoodanig zijn ingericht en worden gebruikt dat het storten of wegstuiven van den inhoud voorkomen worde, en veroordeeling van den gerequireerde deswege tot betaling van eene geldboete van f 1.— bij wanbetaling te vervangen door hechtenis van 1 dag.

De Iiooge Raad enz. ;

Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld bij memorie:

Schending door niet toepassing van de artt. 216 en 119 Alg. Pol. Verord. van Amsterdam in verband met de. artt. 214 j0 257 Wetb. v. Strafvord. ;

Overwegende, dat bij het bestreden vonnis evenals in het daarbij bevestigde vonnis ten laste van den gerequireerde als bewezen is aangenomen, dat hij op 9 Juli 1902 op den openbaren weg, de Jacob van Lennepkade te Amsterdam, aarde heeft doen vervoeren in wagens, welke naar het oordeel van den agent van politie der gemeente Amsterdam, C. A. F., niet zoodanig waren ingericht dat het storten of wegstuiven, van den inhoud werd voorkomen ;

dat verder bij het bestreden vonnis is aangenomen, dat dit feit valt onder het bereik van art. 21 aanhef en letter b, waarbij op de in art. 119 bepaalde straf is verboden: „vuilnis, puin zand, sintels, zaagsel, asch en aarde op den openbaren weg anders te vervoeren, dan in wagens en bakken, die- ter beoordeeling van de politie, zoodanig zijn ingericht en worden gebruikt, dat het storten of wegstuiven van den inhoud voorkomen worde" ;

dat echter door de rechtbank aan deze bepaling bindende kracht is ontzegd hoofdzakelijk op grond :

dat het oordeel omtrent de vraag of zekere feiten onder het bereik van eenige strafbepaling vallen, uitsluitend aan den bevoegden rechter en niet aan de politie toekomt;

dat toch, v/aar „het oordeel der politie" is gemaakt tot element van het strafbare feit, de rechter niet zou mogen onderzoeken, of al dan niet eene bepaalde wagen zóó was ingericht, dat storten of wegstuiven van den inhoud werd voorkomen, doch zich krachtens zoodanig artikel zoude hebben te gedragen naar het oordeel van een politiebeambte, terwijl oordeelen juist de taak is van den rechter, die in ieder voorkomend geval in volle vrijheid moet kunnen nagaan, of de ten laste gelegde feiten naar zijne opvatting van de wet bewezen en

strafbaar zijn ; ,

dat tegen het op deze gronden rustende ontslag van rechtsvervolging is gericht het middel van cassatie;

O. daaromtrent, dat de Rechtbank te recht uitgaat van de stelling, dat in elk strafgeding den rechter uitsluitend toekomt het oordeel over de vraag, of het door hem bewezen verklaarde feit valt onder het bereik der daartegen door het O. M. ingeroe pen verbods- en strafbepaling;

dat echter art. 216 der Alg. Pol. Verord. van Amsterdam, waaraan door de Rechtbank bindende kracht is ontzegd, niets bevat wat in strijd is met deze stelling ;

dat toch deze bepaling niet in het algemeen verbiedt het vervoer op den openbaren weg van puin, zand, enz. in wagens of bakken, anders ingericht of gebruikt dan daar is voorgeschreven, maar het vervoer in wagens of bakken, die „tei beoordeeling van de politie" niet zoodanig zijn ingericht of worden gebruikt;

dat derhalve eene overtreding van art. 216 niet bestaat zonder dat blijkt van het oordeel der politie, welk oordeel alzoo is een element der overtreding, waarvan, evenals van de overige elementen, het al of niet bestaan in elk bijzonder geval staat ter beoordeeling van den rechter ;

dat overigens het bij liet bestreden vonnis gewraakte voorschrift niets bevat, dat in strijd is met de Grondwet of met eenige andere wet, terwijl de beoordeeling van de- inwendige waarde van dit voorschrift door art. 11 der wet, houdende Alg Bep. der Wetgeving van het Koninkrijk, den rechter wordt onttrokken ; . .

O. mitsdien, dat het middel van cassatie is gegrond ; Vernietigt het vonnis door de Arr. Rechtbank te Amsterdam den 13 Maart 1903 in deze zaak gewezen, evenals het daarbij bevestigde vonnis van den r?chter in het derde kanton van het arrondissement Amsterdam van 18 Nov. 1902;

Uit kracht van art. 105 der Wet op de R. O. reclit doende op het bij deze vonnissen bewezen verklaarde feit;

Gezien art. 21 aanhef en letter 6' der Alg. Pol. Verord. van Amsterdam van 26 Maart 1902, benevens art. 119 derzelfde Verordening in verband met de artt. 23 en 91 Strafrecht;

Qualificeert voormeld feit, het op den openbaren weg te Amsterdam vervoeren van aarde anders dan in wagens, die ter beoordeeling van de politie zoodanig zijn ingericht, dat het storten of wegstuiven van den inhoud voorkomen wordt; Verklaart den gerequireerde daaraan schuldig;

Veroordeelt hem te dier zake tot eene geldboete van f 1.—; Bepaalt den duur der vervangende hechtenis bij gebreke van betaling dezer boete binnen twee maanden na den dag, waarop dit arrest zal kunnen worden ten uitvoer gelegd, op één dag.

Sluiten