Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te brengen, dit te hebbe» gedaan naar den eisch van den hier toepasselijken Vllen regel der Yprk-Antwerp Rules van 1890 at the risk of such damage, daar immers een ervaren gezagvoerder uit den aard der zaak begrijpen moet en zal, dat een gebruik als eischer, na de stranding der ,,Llanberis" en terwijl het schip nog vastzat, vani de machine heeft gemaakt, de kans opent, voor schade als toen door deze machine geleden, terwijl meer dan dit inzicht naar de strekking der uit den Vllen regel aangehaalde woorden niet mag worden gevorderd, meer bepaaldelijk niet dat naar buiten van die bewustheid der kans van schade moet zijn gebleken, en het bij deze opvatting der meergemelde woorden ook niet afdoet of de gezagvoerder wetenschap hebbe van omstandigheden, als bijv. reeds voor de machine geleden schade, die de kans op schade nog te grooter en aannemelijker doen zijn;

O. dat derhalve de sub lila bedoelde posten terecht in de dispache als in averij-gros te vergoeden zijn opgenomen;

Ad IIM :

O. dat de Rechtbank wel is waar niet deelt de zienswijze deigedaagden dat de hierbedoelde post geheel uit de averijgrosposten der dispache behoort te worden afgevoerd, maar wel van oordeel is, dat deze post als aanzienlijk te hoog moet worden beschouwd, daar ten eenenmale onduidelijk is welke andere taak dan een enkel bezoek aan schip, belasting- en telegraafkantoor voor den cargadoor te Novorossisk uit de stranding der ,,Llanberis kan zijn voortgevloeid, nu ontegenzeggelijk de voornaamste uit de stranding gevolgde arbeid is volbracht doo: Lloyds Agent en eischer ook zelfs bij pleidooi niet heeft gewezen op bijzondere het aan den cargadoor betaalde bedrag wettigende omstandigheden, zoodat terwijl die cargadoor alle zijne" verschotten zuiver terugbetaald kreeg, een loon van 2820 roebels met anders dan buitensporig kan worden genoemd, en de Rechtbank van gevoelen is, zonder voorlichting door deskundigen waartoe eischer subsidiair concludeerde, te behoeven, dat hij met 500 roebels voldoende ware beloond geweest, zoodat zij den sub 1116 bedoelden post tot dat bedrag als in averij-gros te brengen vermindert, zullende het meerdere dan onder averijparticulier moeten worden overgebracht:

Ad IIIc:

O. dat de gedaagden de toelaatbaarheid van dezen post als averij-gros hebben bestreden als te buitensporig dan dat zij daarin zouden hebben te dragen, maar terwijl zij niet betwisten dat het bedrag inderdaad door eischer is uitgegeven, ten eenenmale in gebreke zijn gebleven aan te toonen of ook maar aannemelijk te maken, in welk opzicht de rekening van Lloyds agent als te hoog moet worden beschouwd, zoodat, al moge de eischer de buitengewone grootte van het bedrag niet hebben ontkend, veeleer hebben toegegeven, de Rechtbank bij de houding der gedaagden en terwijl haar de gegevens ontbreken noodig voor een doelmatig onderzoek door deskundigen, waartoe eischer subsidiair aanbod deed, geen termen vindt om het te dezer zake

in averij-gros gebrachte bedrag uit de averijgrosposten der dispache af te Toeren of ook maar te verminderen en zij derhalve de hier besproken vraag toestemmend beantwoordt, wordende, zij daartoe mede bewogen door de kennisneming van het boven sub 7°. vermelde afschrift, de overeenstemming waarvan met het oorspronkelijke door gedaagden niet is betwist, en inhoudende een) relaas van Lloyds agent aan zijne superieuren te Londen nopens de omvangrijke taak door hem in het belang der „Llanberis" en der lading va.n dit schip volbracht;

O. dat naar aanleiding der beslissing gegeven in de 43e overweging ad vraag IIIö het bedrag in de verrekening der dispache voorkomende als in het schip in averij-gros ve/goed moet worden verminderd met een bedrag van 2320 roebels of in Nederlandsch courant berekend op den voet der dispache naar rb. 9.40 per £ in Nederlandseh courant ad f 12.8 per £ of een roebel ad f 1.28^, van f 2381.20, krijgende immers naar die beslissing het schip van het aan Möller, Lampe & Co. voor „commissie voor de waarneming der belangen van schip en lading' betaalde bedrag van 2820 roebels een bedrag van 2320 roebeis niet vergoed;

O. dat de geheele dragende waarde waarover de averij-gros, volgens het in de vorige overweging overwogeue bedragende f 38256.85 verminderd met f 2981.20 of f 35275.65, moet worden omgeslagen, volgens de dispache bedraagt f 584074.— waar van de averij-gros is 6,0396 percent;

O. dat die der gedaagden tot welke de Rechtbank blijkens het 111 de 2e overweging overwogene den eisch meent te moeten bepalen, naar dien maatstaf in de averij-gros moeten dragen:

J. C. Warnitz op 193054 kilo lijnzaad, waarvan de dragende waarde is f 25869... f 1562.38;

enz.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaan de hoogere voorziening, doch alsdan onder borgtocht, binnen den termijn van vijf dagen te stellen en binnen gelijken termijn aan te nemen of te betwisten;

Veroordeelt de gedaagden in de kosten dezer procedure tot

aan J i_ •• i • i i n .

ue/.ü uiuspi ctaK aan zyae van eiscner oegroot op 1 211.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE AMSTERDAM.

Eerste Kamer.

Zitting van den 4 Februari 1903.

Voorzitter, Mr. A. Wichbks Hoeth.

Rechters, Mrs.: R. L. Scholten en F. A. Eggers. Artt. 1223, 1336, 1337, 1338 B. W. — 499 B. R.

Aan de ontvankelijkheid der eischers die, als erfgenamen van den schuldenaar, de vernietiging vragen van de gerechtelijke vervolging tot uitwinning van het door hun auteur met hypotheek bezwaard onroerend goed, staat niet in den weg, dat zij niet te zamen met hunne medeerfgenamen en schuldenaren optreden, noch dezen in het geding hebben geroepen.

De bepaling van art. 499 B. R., dat geen verkoop kan geschieden dan tot verhaal eener vaststaande vordering, geldt ook voor den verkoop ingevolge art. 1223 B. W.

11 aar de boedel, waartoe de bedoelde perceelen behoorden, onverdeeld was bij het uitbrengen der sommatie en dus alle erfgenamen nog in het bezit der perceelen waren, bestond geen grond ieder der erfgenamen, op grond van ondeelbaarheid der schuld•, voor het geheel aan te spreken.

Bedoelde sommatie stelde niettemin de erfgenamen in gebreke ; de daarin voorkomende bijvoeging „dat een der gesommeerden betalende de anderen zouden zijn bevrijd", ontneemt aan de gevorderde schuld niet het karakter van bepaald en verevend zijn, noch vloeit daaruit met zekerheid voort, dat bij de sommatie werd uitgegaan van beweerde hoofdelijkheid of ondeelbaarheid.

lc'. G. J. E. Meckmann, warmoezier, als in algeheele gemeenschap van goederen gehuwd met C. Mulder, c. s., eischers procureur Mr. H. J. Biebf.rlagk,

tegen

1°. E. H. van Nifterik, van tafel en bed gescheiden èchtgenoote van J. B. Spaan, zonder beroep, wonende te 's Gravenhage ; 2°. J. B. Spaan, echtgenoot van dé gedaagde sub 1°., tot bijstand en machtiging van de gedaagde sub 1°., hebbende deze gedaagde sub 2°. geen bekende woon- of verblijfplaats, gedaagden, procureur Mr. A. J. J. Salm.

De Rechtbank;

Gehoord partijen;

Overwegende wat de feiten betreft:

dat eischers bij dagvaarding en daarmede overeenstemmende conclusie van eisch stellen:

dat uit krachte van de in executorialen vorm uitgegeven eerste grosse van een akte van geldbeleening met hypotheekstelling op 7 November 1891 voor den te Amsterdam resideerenden notaris Mr. A. J. C. Jongejan verleden, welke executoriale titel ten verzoeke van de eerste gedaagde als creditrice aan de eischers en hunne mededebiteuren is beteekend bij exploit van den deurwaarder Th. E. Menagé Challa, de dato 28 Mei 1902, de e.schers en hunne mededebiteuren bij exploit van denzelfden deurwaarder, de dato 11 Juni 1902 ten verzoeke van de eerste gedaagde zijn gesommeerd tot betaling van f 20258 wegens verschenen rente als ,,zullende bij betaling door een der gerequireerden de anderen bevrijd zijn" ;

dat wijders bij laatstgemeld exploit, wegens niet voldoening aan gemelde sommatie, aan de eischers en hunne mede-debiteu° ren ten verzoeke van de eerste gedaagde is bevel gedaan tot betaling van het ingevolge voormelde acte van geldleening verschuldigd saldo der hoofdsom ad f 9COO met de rente sedert 7 November 1901, met aanzegging wegens niet voldoening aan gemeld bevel, dat de eerste gedaagde tot verkoop van de bij meergemelde acte hypothecair verbonden onroerende goederen zal overgaan den 12den Juli 1902;

dat het steunpunt van den voorgekomen, verkoop is de opaischbaarheid der geheele schuld, welke opeischbaarheid harerzijds het gevolg heet te zijn van niet voldoening aan meergemelde sommatie tot rentebetaling, gericht tegen de eischers en hunne mede-debiteuren, als zouden dezen voor die rentevoldoening hoofdelijk aansprakelijk zijn ;

dat de eischers nevens anderen zijn erfgenamen van wijlen Judacus of Judocus Mulder, in leven wonende te Sloten, die bij acte, op 8 October 1892 voor den te Amsterdam resideerenden notaris Mr. A. J. C. Jongejan verleden, de aan de eerste gedaagde hypothecair verbonden en thans door haar met verkoop, bedreigde onroerende goederen heeft gekocht, onder beding dat de kooper voor zijne rekening zoude nemen en zich schuldenaar

zou stellen van de hypothecaire schuldvoi dering, groot f 11000, waarop thans is afgelost f 2000 en alzoo per resto verschuldigd is f 9000, ten behoeve van de hypothecaire creditrice de thans in voege voormeld optredende eerste gedaagde;

dat aizoo door tegen hen eischers den verkoop in te leiden gelijk hier werd vermeld, en uit krachte eener pretense hoofdelijke schuld, door de eerste gedaagde is gehandeld in lijnrechten strijd met de voorschriften van artikel 1336 B. W. en 499 B. R. ;

Op welke gronden eischers hebben geconcludeerd, dat bij vonnis uitvoerbaar bil voorraad onrechtmatig; worde verklaard.

buiten effect gesteld en vernietigd de evengemelde, gerechtelijke vervolging, ingeleid bij het exploit van beteekening van 28 Mei 1902 en voortgezet bij het exploit van sommatie en bevel van 11 Juni 1902, alles met veroordeeling van de eerste gedaagde tot vergoeding aan eischer van alle kosten, schaden en interessen, door die onrechtmatige gerechtelijke vervolging gehad en

geieuen oi nog ie neDoen en te lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, cum expensis;

O., dat de gedaagden hebben gezegd voor antwoord dat de tweede gedaagde is verschenen tot bijstand en machtiging deieerste gedaagde:

dat gedaagden in de eerste plaats van oordeel zijn, dat de eischers niet ontvankelijk zijn in hunne vordering, daar zij blijkens de door hen vermelde expioiten van den deurwaarder Menage Challa van 28 Mei en 11 Juni 1902, in het door hen bij dagvaarding en conclusie van eisch gestelde niet de eènige erfgenamen van Judocus of Judacus Mulder en evenmin de eenige debiteuren van de ee ste gedaagde zijn en de actie door hen is ingesteld zonder medewerking of oproeping van hunne medeerfgenamen cf mede-debiteuren;

dat voorts de ingestelde vordering is facto en jure ongefundeerd ;

dat toch eischers, blijkens hun beroep op art. 499 B. R., welk artikel in elk geval ten deze alle toepassing mist, van de onjuiste stelling uitgaan, dat het hier eene gerechtelijke vervolging met andere woorden executoriale verkoop van onroerendA n-nn.

deren geldt, terwijl, blijkens de bedoelde hierboven vermelde expioiten, de verkoop van het gelibelleerd onroerend goed door de eerste gedaagde, als eerste hypotheekhoudster krachtens de onherroepelijke volmacht, omschreven in artikel 1223 B. W., werd aangezegd;

dat voorts dt' bewering, als zou de eerste gedaagde, optredende zooals geschied is, in strijd hebben gehandeld met de bepaling van art. 1336 B. W., volkomen ongegrond is, daar zij integendeel juist in overeenstemming met de bepalingen vervat in artt. 1336 I, 1337 en 1338 B. W. hare rechten heeft trachten te handhaven;

dat van schade nretenpeliik door de eischers o-nlorl nn fföpn

sprake kan z^jn;

dat de vordering der eischers alzoo niet voor toewijzing vatbaar is j

Op welke gronden zij hebben geconcludeerd, dat de eischers m hunne vordering zullen worden verklaard niet ontvankelijk, immers dat hun die zal worden ontzegd, met hunne veroordeeling m de kosten van het geding;

O. wat het recht betreft:

dat tusschen partijen vaststaat, dat de eerste gedaagde, als hypothecair creditrice, de eischers als erfgenamen van haren ooi spronkelijken debiteur met diens andere erfgenamen en met diens mede-dibiteuren heeft gesommeerd tot rentebetaling en bij met-voldoening daaraan, tot kapitaalaflossing met verkoopaanzegging van het hypothecair verbonden goed, krachtens het beding van art. 1223 B. W. ;

. °-> dat °P de vraag of aan de ontvankelijkheid van de eischers m den weg staat, dat zij niet te zamen met hunne mede-erfgenamen en mede-schuidenareu optreden, noch dezen in het geding hebben geroepen, ontkennend moet worden geantwoord, daar clat afzonderlijk optreden de gedaagden niet in hunne verdediging tegen de ingestelde vordering belemmert;

dat het nu wel mogelijk is dat later nog andere erfgenamen

van oociocus Muller te dezer zake de gedaagde zullen aanspre- B.

N#. 7959.

ken, maar dit den eischers hun recht om op te treden niet kan ontnemen, daar geen erfgenaam verplicht kan wezen zijne rechten prijs te geven, omdat een of meer zijner mede-erfgenamen niet tot de handhaving willen medewerken, en het nergens is voorgeschreven, dat zij, afzonderlijk optredende, hunne medeerfgenamen in het geding moeten oproepen, ten einde de gedaagden voor een eventueel nieuwe actie- te vrijwaren •

O. wat de hoofdzaak betreft:

dat de eischers hunne vordering doen steunen op het beweren dat de eerste gedaagde ten onrechte hen tot aflossino- eener hoofdsom zoude hebben gesommeerd en na verzuim die° aflossing, verkoop van onderpand hebben aangezegd, daar het aan die sommatie voorafgegane bevel tot betaling van rente ieder hunner, als erfgenamen van een der oorspronkelijke debiteuren tot betaling van het geheele rentebedrag sommeerde met dien verstande, dat de een betalende, de anderen zouden zijn bevrijd ;

dat het onrechtmatige in de eerste plaats hieruit zou volo-en dat verkoop, waarmede in casu werd gedreigd, ingevolge art. 499 B. Rv., slechts voor een bepaalde en verevende schuld of vordering kan vervolgd worden;

O., dat onafhankelijk van de vraag of verkoop ingevolge art. 1223 B. \\ . in den zin van art. 499 B. Rv. als gedwongen verkoop is te beschouwen, het in laatstgenoemd artikel bepaalde op dien verkoop toepasselijk is, daar de ratio van dat artikel, dat geen verkoop, strekkende tot verhaal eener vordering, geschiede dan voor een schuld, waarvan het bedrag vaststaat, opdat de schuldenaar wete, hoe groot de som zii. door welker 1 „.

taling hij zich kan bevrijden ook geldt voor den verkoop ingevolge art. 1223 B. W.;

dat, waar in casu gesommeerd werd tot betaling eener geldsom met bijvoeging dat een der gesommeerden betalende, de anderen zouden zijn bevrijd, door die bijvoeging aan de ge'vorderde schuld niet het karakter van bepaald- en verevend-zijn werd ontnomen, daar immers ieder der gesommeerden het van hem gevorderde bedrag in cijfers werd kenbaar gemaakt, wier duidelijkheid door de omstandigheid, dat hij door te betalen zijne mededebiteuren bevrijden en op hen verhaal zou hebben, niet werd verminderd;

dat derhalve uit art. 499 B. Rv. niets omtrent het onrechtmatige van de handeling der eerste gedaagde kan worden afgeleid ;

dat in de tweede plaats door eischers dat onrechtmatige daarin gezien wordt, dat ieder der gesommeerden voor het geheele bedrag zou zijn aangesproken;

dat de juistheid dier zienswijze ten deele afhangt van de beantwoording der vraag, of de deelbaarheid der vordering in casu het aanspreken van ieder der erfgenamen voor het volle bedrag verbood;

dat de wet de splitsing eener deelbare schuld niet verplicht stelt ten opzichte van diengene onder de erfgenamen eener hypothecaire schuld, die in het bezit is van het bezwaarde goed ;

dat in casu vaststaat, dat de boedel, waartoe de bedoelde perceelen behoorden, onverdeeld was tijdens het uitbrengen der sommatie en dus alle erfgenamen, ook de gesommeerden, nog in het Jjezit der perceelen waren;

dat er geen reden is aan te nemen, dat in art. 1336 al. 2 B. W. met het woord „bezit'' het feitelijk bezit zou worden bedoeld, omdat anders de beperking tot bezittende erfgenamen geen zin zou hebben, daar immers zoodra de verdeeling des boedels heeft plaats gevonden, eene onderscheiding tusschen erfgenamen, aan wie het onroerend goed was toebedeeld, en die het dus bezitten, en de overige erfgenamen, reden van be¬

staan neen ;

dat echter art. 1336 I, eene uitzondering bevattende op den regel der deelbaarheid, blijkens al. 2 van dat artikel alleen dan van toepassing is, wanneer een erfgenaam of erfgenamen in het bezit van bezwaarde perceelen zijn, in tegenstelling van andere

tli^CIIdrlUCU ,

dat deze uitzondering derhalve niet toepasselijk is, wanneer nog alle erfgenamen in het bezit der onroerende goederen zijn, in welk geval de regel der deelbaarheid van kracht blijft;

dat dus in het onderhavige geval geen reden bestond om ieder der erfgenamen op grond van ondeelbaarheid der schuld voor het geheel aan te spreken;

dat evenwel uit de sommatie, waarin ieder der erfgenamen tot betaling der verschuldigde rente werd aangemaand, met bij\oeging der woorden ,,zullende bij betaling door een der gerequireerden, de anderen bevrijd zijn", niet met zekerheid voortvloeit, dat zij uitging van eene geposeerde hoofdelijkheid of ondeelbaarheid der schuld of dat zij den gerequireerde, die slechts tot het betalen van zijn aandeel gehouden was, niet in gebreka stelde en dus een aanbod van een deel der rente door een der erfgenamen zou geweigerd zijn;

dat bovendien de vraag, of op juiste wijze tot rentebetaling werd gesommeerd, door van ieder erfgenaam het geheel te vra° gen, eerst dan van practische waarde zou zijn geweest, wanneer die sommatie niet aan alle, maar slechts aan enkelen hunner ware gebracht, of wol een hunner aan de gedaagden de betaling van zijn evenredig deel hadde aangeboden;

dat derhalve door de uitgebrachte sommatie alle erfgenamen zijn in gebreke gesteld en zij derhalve zooals zij is uitgebracht, niet in strijd is met de wet en de door eischers beweerde onrechtmatigheid in de handeling van de eerste gedaagde daarmede vervalt;

O., dat de vordering der eischers hun dienvolgens moet worden ontzegd;

Recht doende:

Ontzegt den eischers hunne vordering en veroordeelt hen in de kosten dezer procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde der gedaagden begroot op f 87.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 19 Mei 1903.

Voorzitter, Mr. Gr. T. M. Pathuis Cremers.

Rechters, Mrs.: Jhr. R. Feith en W. P. A. Hellegers.

Het geneeskundig gesticht voor krankzinnigen „ Voorburg" te Vucht is geen godshuis in den zin der Armenwet.

Daar door het gemeentebestuur van Bergen-op-Zoom voor den armlastige de verplegingskosten werden betaald, kan genoemd gesticht niet gezegd worden bedoelden armlastige met een weldadig doel te hebben gehuisvest en is mitsdien niet te bescliouiven als een Godshuis, waarop de artt. 49 en 50 der Armenwet, toepasselijk zijn.

J. H., wonende te Bergen op Zoom, in hoedanigheid van

Sluiten