Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O dat de deskundigen, belast zoowel met een byzonder onderzoek daaromtrent als, meer in het algemeen, omtrent de vraag, of het onderste gedeelte van den Utigieusen muur is aan te merken als scheidsmuur tusschen de perceelen van partijen, tot de slotsom kwamen, dat de bewuste „verzwaring' is daaroesteld ter voorkoming van het uitbrokkelen van het overige muurwerk, daarmede één geheel uitmaakt en niet als een zelfstandige muur kan worden aangemerkt, zoomede, dat op de laatstbedoelde vraag het antwoord toestemmend moet luiden;

O. nu dat het Hof met dit gevoelen van de deskundigen, steunende, gelijk den Hove uit het verslag gebleken is, op motieven ontleend aan feiten welke het Hof als bewezen aanneemt op grond èn van hetgeen door de getuigenverhooren èn van hetgeen door liet van wege den eersten Rechter bevolen onderzoek in loco aan het licht is gebracht, zich vereenigt en hierin nog een bevestiging vindt van zijn hierboven uitgesproken oordeel, dat de appellant in zijn probandum inderdaad i s geslaagd;

0. vervolgens ten aanzien van. het twe ede verweer, dat, waar thans vaststaat, dat zoowel het onderste als bovenste (behalve het hooger dan appellants huis opgetrokken) gedeelte van den muur in geschil scheids muur is, zijnde dit toch, gelyk in de zesde overweging' van \s Hofs interlocutoir arrest werd herinnerd, voor wat het bovenste stuk aangaat, tusschen partijen in confesso, met het oog op de bepaling van art. 681 J>. W. eerste lid, behoort te wordein nagegaan, of de oorspronkelijke gedaagde, thans geïntimeerde, heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om zijn stelling, dat de muur nogthans niet gemeen is, waar te maken;

O.dat hij dit, naar 's Hofs zienswijze niet deed;

dat toch allereerst moet worden opgemerkt, dat hij zich niet beriep op het bestaan van een titel of van, in art. 682 B. VV. met name vermelde teekenen, aanduidende dat de muur in geschil niet gemeen is, doch dat hij in zijn conclusie van antwoord in hooger beroep er zich toe bepaalde om te wijzen op eenige volgens hem vaststaande, omstandigheden, waaruit dan het niet gemeen zijn van den muur volgen zou;

dat, wat voorts die laatstbedoelde omstandigheden betreft, in 't midden kan worden gelaten of en in hoever zij ten processe wel vaststaan, vermits, zoo zij alle. al vaststonden, het Hof toch geen vrijheid zou vinden om in strijd met de uitspraak van de óók hier over geraadpleegde deskundigen, houdende dat zij geen teekenen gevonden hebben aanwijzende dat de hoofdmuur in geschil n i e t is een gemeene muur, er een zóódanige kracht of beteekenis aan toe te kennen, dat het in de eerste alinea van art. 681 B. W. uitgedrukt wettelijk vermoeden van mandeeligheid daarvoor zou moeten wijken;

O. in de laatste plaats ten opzichte van het derde verweer, dat het Hof acht slaande op de bij opgemeld gerechtelijk onderzoek in loco gebleken en in het daarvan opgemaakt proces-verbaal gerelateerde feiten betreffende den toestand waarin de gemeens scheidsmuur verkeert, naar welk proces-verbaal ook wederom kortheidshalve hier verwezen wordt, ook ten deze geheel zich aansluit bij het onder letter D in hun verslag te kennen gegeven gevoelen van de deskundigen ;

O. dat het mede tot hun taak behoorde ook op d i t punt, na gehouden cnderzoek, het Hof voor te lichten en hun door 't Hof alzoo overgenomen gevoelen hierop neerkomt, dat de geheele muur, van af de fundeering tot het. bovendeel toe, in verregaanden staat van bouwvalligheid verkeert, zoodat de werkzaamheden van afbraak cn opbouw van appellants huis niet vervolgd kunnen worden zonder het muurwerk tusschen de panden van partijen af te breken en opnieuw op te bouwen ;

O. dat uit al het tot hiertoe overwogeue volgt, dat het drievoudig tegen de bij de inleidende dagvaarding gedane vordering gevoerd verweer niet opgaat, zoodat die, overigens onbestreden gebleven eisch, gegrond op de wet en voor toewijzing vatbaar, met vernietiging van het beroepen vonnis, waarmede appellant terecht zich bezwaard acht, dezen alsnog behoort te volgen ;

Cezien art. 56 B. R. :

Recht doende in hooger beroep :

Vernietigt het op 27 November 1901, door de ArrondissementsRechtbank te Middelburg, tusschen partijen gewezen vonnis waarvan appel;

En opnieuw recht doende:

Wijst den oorspronkelijk eischer, nu appellant, zijn bij de introductieve dagvaarding ingestelde vordering toe ;

Veroordeelt mitsdien den oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde, om voor de helft ten zijnen koste mee te werken tot het afbreken en weder opbouwen van den ten deze bedoelden gemeenen scheidsmuur, met machtiging op den appellant om, voor het geval geïntimeerde niet binnen 2 maal 24 uur na de beteekening van dit arrest daartoe mocht medewerken en gemeld werk volgens een tusschen hen beraamd plan verder voleindigen, zoo noodig met bijstand van den sterken arm zelf den muur af te breken en weder op te bouwen, met veroordeeling van den geïntimeerde om de helft der kosten op dat afbreken en weder opbouwen van dien muur vallende aan appellant te vergoeden zoodra met een en ander is gereed gekomen, desnoods vast te stellen bij staat;

Verklaart dit arrest, behalve voor wat de uitspraak omtrent de proceskosten aangaat, uitvoerbaar bij voorraad, mits onder borgtocht, binnen 14 dagen te stellen en binnen gelijken termijn aan te nemen of te betwisten;

Veroordeelt eindelijk den oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde, in al de proceskosten zoo in eersten aanleg als in hooger beroep gevallen, waaronder begrepen die, welke, bij s Hofs interlocutoir zijn gereserveerd ;

Begroot die^ kosten aan zijde van den appellant, tot deze uitspraak, met inbegrip der verschotten, op f 463.12^ in eersten aanleg en op f 815.57 in hooger be>roep.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBAWKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROTTERDAM. Tweede Kamer.

Zittinj van den 14 Januari 1903.

\ oorzitter, Mr. B. J. A. Sterck.

Rechters, Mrs.: A. O. H. Tellegen Bzn. en G. T. J. de Jongh.

Avarij. — Taxatie der dragende waarde va» het casco

volgens de york & antwerp rules, in verband met de conditiën en usantiën der Engelsciie Ijloyd-polis.

Art. 720 W. v. K. ziet slechts op een volgens de wettelijke voorschriften tot stand gekomen en door de daartoe bevoegde macht gehomologeerde dispache.

Tegen een dispache opgemaakt door dispacheurs daartoe

in der minne door belanghebbenden aangewezen, kan door de verzekeraars worden opgekomen, ivanneer zij op onjuisten grondslag is opgemaakt.

Volgens de York &• Antwerp Rules moet de in de avarijgros omslag dragende waarde berekend worden naar de waarde ter plaatse waar de onderneming was geëindigd, in casu Oxelösund.

De daar geschiedde taxatie van het casco komt echter niet in aanmerking als eenzijdig geschied op verzoek van de Berging-Maatschappij en niet van belanghebbenden bij de avarygrosregeling, die zich met de taxatie niet hebben vereenigd.

De taxatie te Rotterdam levert evenmin een maatstaf op, omdat daarbij getaxeerd is de xvaarde aldaar en niet die te Oxelösund.

Daaromtrent onderzoek, bevolen.

Waar, gelijk in casu, het casco voor minder verzekerd is dan de dragende waarde, moet de regel gelden van de Custom of Lloyds, dat de verzekeraar slechts heeft te betalen over het verzekerd bedrag minus de avarij particulier op het casco.

De bij die Custom gemaakte uitzondering voor in den vreemde opgemaakte dispaches ziet slechts op dispaches, opgemaakt in landen waar voor den omslag een andere basis ivordt aangenomen dan de werkelijke netto waarde van het casco.

De Handelsvennootschap onder de firma. Wm.H. Müller & Co., gevestigd te Rotterdam, eischeres, advocaat en procureur Mr. B. C. J. Loder,

tegen

de Naamlooze Vennootschap „de Zee- en Brandassurantie Societeit", gevestigd te Rotterdam, gedaagde, advocaat en procureur Mr. C. E. Havelaar.

De Rechtbank enz. ;

(.Tehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken van het geding alle voor zooveel noodig geregistreerd ;

Ten aanzien der feiten:

Overwegende da.t de eischeres bij dagvaarding en conclusie van eisch heeft gesteld:

dat de gedaagde voor f 10.000 heeft deelgenomen in eene verzekering van f 330.000 door de eischeres op 20 Maart 1900 gesloten op het stoomschip „Maud Cassel" zijnde door partijen met wederzijdsch genoegen gedurende den geheelen duur der verzekering en dus bij alle voorvallen getaxeerd en vastgesteld het casco enz. op de som van f 220.000 en de ketel en machinerieën enz. op de som van f 110.000 onaangezien meerder of minder waardig zijnde of gekost hebbende, welke sommen in cas van averij of schade tot reglement zullen dienen ;

dat op 31 Augustus 1900, zijnde binnen den tijd van omschreven verzekering het stoomschip „Maud Cassel" op de reis met eene lading erts van Oxelösund naar Rotterdam bij Hafringe is gestrand en eerst op 8 September met behulp van bergingsma. teriaal van de Bergingsmaatschappij „Neptun" is afgebracht na 2424 ton lading te hebben geworpen en andere belangrijke opofferingen te hebben gedaan, waarna het stoomschip met zwaar beschadigden bodem te Oxelösund weder is binnengebracht;

dat bij gebreke van gelegenheid te Oxelösund om het schip aldaar te dokken en te repareeren op advies van den door gedaagde en hare mede-assuradeuren derwaarts gezonden expert A. J. Bernoski de bodem door duikers voorloopig zóóveel is gerepareerd als noodig, opdat het schip met eigen stoom naar Rotterdam konde komen, alwaar vervolgens de noodige reparatiën zijn verricht;

dat de door vorenstaande omstandigheden veroorzaakte schaden en onkosten volgens opmakingen van de dispacheurs Mrs. Loder en Bik en de makelaars D. Hudig & Co. te Rotterdam hebben bedragen f 294043.90, waarvan als averij-particulier op het schip f 126.894.90 en als averij-grosse f 167149.— en wel op het schip ter getaxeerdei waarde van f 330.000 met bijvoeging van hetgeen in averij-grosse werd vergoed f337597.— f 146390.50

de lading ter netto waarde van f 42446.— f 18405.65

de vracht ten bedrage van f 5426.— f 2352.85

f 385469.— f 167149.— dat de gedaagde door betaling van f 5000 heeft betaald het ten haren laste komende 1/33 aandeel in de averij-particulier ten bedrage van f 3845.30 en op rekening van het ten haren laste komende aandeel in de averij-grosse op het schip f. 1154.70;

dat dat aandeel in de averij-grosse bedraagt 10000/337597 van het geheel ad f 146390.50 alzoo f 4336.25 en de gedaagde mitsdien per resto aan de eischeres verschuldigd is f 3181.55 ; en dat deze zaak is eene zaak van koophandel;

Op welke gronden de eischeres heeft geconcludeerd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gedaagde zal worden veroordeeld om aan de eischeres tegen kwijting te betalen f 3181.55 met de interessen ad 6 % 's jaars, sedert 1 Juni 1901 en de kosten van heit geding;

O. dat de gedaagde op dien eisch heeft geantwoord :

dat de voorwaarden, waaronder de bij dagvaarding omschreven verzekering gesloten is, blijken uit de polis, deel uitmakende van de door de eischeres overgelegde schadepapieren;

dat het .aan de Maud 'Cassel overkomen evenement wordt erkend, evenzeer dat dit grond heeft gegeven tot. omslag in averij-gros en dat de verliezen zijn geleden in de dispache ter verdeeling opgenomen;

dat de gedaagde echter de juistheid van den omslag ontkent, bepaaldelijk van het cijfer dragende waarden, daarbij aangenomen ;

dat het schip daarvoor is aangenomen op eene getaxeerde waarde van f 330.000 ;

dat dit cijfer steunt op eene taxatie van drie door de dispacheurs daartoe benoemde deskundigen na aankomst van het schip te Rotterdam aldaar opgemaakt;

dat deze taxatie echter voor de bij de dispache betrokken partijen geen bindende kracht had en de juistheid daarvan wordt ontkend;

dat krachtens de charter-partij, die als deel van de schadepapieren door eischeres is overgelegd, average if anv (is) to be settled according to York-Antwerp Rules 1890" ;

dat Rule XVII voorschrijft „The contribution to a. general average shall be made upon the actual values of thei propertv at the termination of the adventure";

dat de adventure is geeindigd te Oxelösund, waarheen het schip in beschadigden toestand is teruggekeerd en waar het schip en lading voor goed zijn uit elkander gegaan;

dat nu te Oxelösund zelf eene taxatie, van het casco heeft plaats gehad, door op wettige wijze voor het doen van dergelijke taxatiën door den magistraat benoemde deskundigen, die het schip op beschadigden toestand hebben geschat op £ 35.000;

dat deze taxatie door alle partijen aangenomen heeft gediend als grondslag tot vaststelling van hulploon;

dat bij gebreke van eenige andere taxatie ter plaatse waar de waarde van het schip als dragende kracht in averij-gros moest worden vastgesteld, deze waarde daarvoor behoort te worden aangenomen;

dat de omslag dan moet zijn als volgt:

schip £ 35000 a f 12.11 f 423850.—

waarbij voor vergoeding in averij-gros ,, 7596.67

f 431446.67 af te ronden op f 431447.—•

lading volgens dispache ,, 42446. -

vracht volgens dispache ,, 5426

maakt eene dragende waarde van f 479319.-,

waarover moet worden omgeslagen het in averij-gros gebracht schadebedrag van f 167149.— makende 34.87218 % van het totaal der dragende waarden ;

dat de schaderekening ook overigens niet juist is opgemaakt, daar assuradeuren niet over het volle verzekerde bedrag van f 330.000 deze 34.87218 % hebben te vergoeden;

dat de verzekering is gesloten, geheel op de conditiën en usantiën der Engelsche Lloydspolis evenalsof dezelve op die polis geteekend ware ;

dat de custom of Lloyds van 1876 luidt: If the ship or cargo be insured for more th&n its contributory value the underwriter pays what is assessed on the contributory value. But where insured for less than the contributory value, the underwriter pays on the insured value and when there has been a particular average for darnage-, which forms a deduction from the contributory value of the ship that must be de duet <?d from the insured value to find upon what the underwriter contributes";

dat blijkens de schaderekening door eischeresse overgelegd, de

averij-particulier aan het schip heeft bedragen f 113858.29

waarbij te voegen voor voorloopige reparatiekosten

Kr. 3000 en ,, 164

Kr. 3164 ad f 0.67 „ 2199.88

en voor arbeidsloon , 30.

te zamen f 116008.17 welk bedrag aan assuradeuren als averij-particulier in rekening gebracht bij de taxatie van het schip in beschadigden toestand de dragende waarde van het schip heeft verminderd, zoodat dit van het verzekerd bedrag moet worden afgetrokken om liet cijfer te vinden, waarover de assuradeuren te dragen hebben ;

dat daar het verzekerd bedrag van het casco is f 330000.—

en dit moet worden verminderd met ,, 116008.17

de assuradeuren in averij-gros slechts hebben te

vergoeden een verzekerd bedrag van f 213991.83

over welk bedrag zij op de gronden hierboven vermeld hebben te dragen voor 34.87218 % of „ 74623.62

makende voor deze gedaagde, die in de verzekering participeerde voor 10/330 deel een bedrag van... ,. 2261.33 dat hierop volgens dagvaarding reeds is betaald... ,, 1154.70 zoodat door gedaa,gde nog betaald moet worden... f 1106.63 die zij steeds bereid was en nog bereid is, dit met de verschuldigde rente, te betalen en het te betalen aanbiedt;

Weshalve gedaagde heeft geconcludeerd dat de Rechtbank zal verstaan dat de gedaagde met de door haar aangeboden betaling van f 1106.63 en de rente ad 6 % 's jaars van af 1 Juni 1901 kan volstaan, de eischeres in het meer gevorderde zal verklaren nietontvankelijk, immers haar dit zal ontzeggen en haar veroordeelen in de kosten van het geding;

In rèchte^°^en nadere COBclusiën van partijen) ;

^ ™ de ^'sPa°he een juiste waarde

van de JNLaud Cassel is 'aangenomen :

O dat tusschen partijen vaststaat dat deze disnar-he moest

;;™xri^zTh-,iis * »».

the actual° va^iie^ oT+1^° ^ ëellefa'' average shall be made upon tenture" enz Property at the termination of the ad-

Jfirïssy?d' pl""s ™"" >«><""<< m~-

S53.CÏ aïïS « i '"ft

rangenome,it ? ^ wa-de ™ het schip is

onrechte i^aff.e,sfliiBd^aa^'jeiVan meeI"ng *s dat dit laatste ten

XVII de O-at a e° ? £rond van dé aangehaalde Rule waarde te °xeiösuna a,s ^

nie°t' ht/eKKdaai;tegen J166ft '?mpyoerd dat assuradeuren met het recht hebben tegen de in de dispache. opgenomen taxa-

tie op te komen althans dat niet behoorden te doen, omdat art

rsuradr - <* «S

averij-grosse hebben bedragen in e'nr^Tid tnT^^rz'e"

bttitj tbelanghkbdier regeling hebben opgedragen aan de dispacheurs MrTTodeJ en Bik, met machtiging om deskundigen te benoemen ter taxak van schaden en waarden voor zooverre zij dit noodig zoud^

O. evenwel dat art. 720 van het W. v. K. blijkbaar op het oog heeft eene volgens de wettelijke voorschriften tot stand gekomen en door de daartoe bevoegde macht gehomologeerde dispache, maar eene ayenj-grosse regeling opgemaakt door d spacheurs, daartoe m der minne door belano-lioM^,,,! P

assuradeurs niet dermate bindt dat zb die nTef" a™®ewez6nJ bestrijden ; Z'J dl6 met zoude« m0Sen

O. dat evenmin in de bestrijding van gedaagde iets onbehoorlyks kan worden gezien, vermits, al mag aangenomen warden dat. de assuradeuren van de. dragende i ?! ? word ,

t,Qt rWr a de krachten het teekenen van

het compionns door dezen hebben goedgekeurd aan dat

compromis geen wijdere strekking mag wS toegekend clan om de dispacheurs m plaats van door de bevoegde rechterlijke

macht te benoemen door belanghebbende partijen terwijl dooide machtiging aan de dispacheurs om deskundigen aan te wijzen ter taxatie van schaden en waarden, die belanghebbenden zich wel hebben onderworpen aan de eventueele keuze van deskundigen door die dispacheurs, doch niet aan taxatie door die. deskundigen te verrichten ;

O. nu dat krachtens gezegde Rule XVII, in verband met de vaststaande omstandigheid dat te Oxelösund de. onderneming was beëindigd, als dragende waarde van het schip moet aangenomen worden de „actual value", dat is, de waarde van het

Sluiten