Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

_ . l. 342 Rechtsvord. is van open-

- De exceptie ontleend aan door den rechter ambtshalve

bare orde en moet mit,s<Jer Aigemeene bepalingen wordt worden toegepast. Art. 1, door art 338 Recht|vord. Hof niet buiten werking gef

s Heitogenbosoh 6370. j,oep bevindende dat tot het beroep e ree ei in hoogei^ medegewerkt eene niet afgelegde

chiicz- *• —•*» »■ «•

6400. 1. . . , . ,

tt + i enne van den eisch tegenover een reeds

eioep op fer^erd sustenu kan njet voor het eerst in hnnir r a gA> gedaan. Rechtb. Rotterdam. 6407. 3.

Jn\Tep ^' rechtsgeding in hooger beroep toepasselijk

voorschrift va *rt' 221' tweede lid, dat het veroordeelend vonnis moet^06" de artikelen der wet welke worden toe"epist wo,>ldaan door de verklaring in het arrest dat het Hof toeR 'n ^et vonn's a's toegepast vermelde wets-

__a^elen-Jkkingen.' H. R. 6393. 2. — Zie H' R-

(370 t I >■ 6395. 1. — Zie l)r/<<■■■'■<,r"''•{!■ 6277. 3. Zie p , 4. 2. — Zie Eigen richting. 6376. 3. — Zie Exceptie. 6339 '• — ^'e Faillissement. 6324. 1. — Zie Huwelijk. K. R. 630? ^ ■ — Zie Jacht en visscherij. H. R. 6399. 1, —Zie Koop en verkoop. 6372. 2. — Zie Onroerend goed. 6352. 2. — Zie Qirdeel des onderscheids. H. R. 6277. 1. — Zie Vonnis. 6356. 2; *411. 3. — Zie Zekerheidsstelling. H. R. 6325. 1.

— onderwijs. 1891—1892. 6385. 3.

Hoogheemraadschap. — Zie Dagvaarding. 6331. 1 en 2.

IIopma. (e. J.) ca. J. Doornbosch. 6406. 1.

Hotel. — Zie Huur en verhuur. 6384. 1.

Houder. — Zie Drankivet. H. R. 6367. 2. —- Zie Figendoms-

recht. 6332. 2.

HotJT. —- Zie Koop en verkoop. 6299. 2; 6398. 1.

Houweninge. (P. c. tan) ca. M. P. H. van Houweninge e. a. 6376. 2.

Howard. (John). — Over — 6352. 4.

Hoytema. (Mr. D. N. tan) — beëedigd als raadsheer in het

Gerechtshof te Leeuwarden. 6359. 4.

Huis tan bewaring te Hoorn. — Zie Gijzeling. 6390. 1. Huishoudster. — Zie Eigendomsrecht. 6315. 3.

Huizen van ontucht. — Kon. besl. van 21 Jan. 1893, tot vernietiging van het eerste lid van art. 4, liet derde lid van art.

het derde en vierde lid van art. 12 en het eerste lid van art. 13 van de verordening der gemeente Gouda van 18 Dec. 1888, regelende het politietoezicht op de — en de publieke vrouwen in die gemeente. 6291. 4.

Beschouwing daarover. 6291. 4.

Opmerking van ite Gemeentestem. 6296. 4. Hulpbehoevendfn. — Zie Verlating. 6336. 3.

Hulploon. — Zie Schip. 6377. 2.

Hulshoff (Mr. B.). Rede van — bij de openstelling van het

nieuwe gerechtsgebouw te Breda. 6400. 2.

Hunsinge — Het waterschap — ca. g. J. Hoprna. H. r. 6332. 1. Huur. — Zie Koop en verkoop. H. r. 6408. 1. — Zie Schadevergoeding. 6388. 2.

Huur en verhuur. — Moet niet ten aanzien eener overeenkomst van huur en verhuur van diensten, waarbij door partijen geen bepaald tijdstip voor het einde der overeenkomst is gesteld, bij gebreke van wettelijke bepalingen, worden aangenomen, dat de overeenkomst tot wederopzegging is gesloten?

— Ja.

Is bij Jlta lusscheii partijen van kracht zijndt'reglement van die wederzijdsche vrijheid afstand gedaan ? — Neen. Rechtb. Utrecht. 6284. 3.

Door bij dagvaarding te stellen: dat huurontbinding van onroerend goed gevraagd wordt op grond van wanbetaling van pachtpenningen, van het niet voorzien van het gehuurde met de bedongen hoeveelheid vee, en van het bebouwen van de verhuurde landerijen in strijd met het daaromtrent bedongene, alsmede dat de niet-voldoening aan de voorwaarden der overeenkomst grond oplevert tot schadevergoeding en in verband daarmee te eischon schadevergoeding reeds berokkend en nog te berokkenen — moei worden aangenomen dat eischer wel degelijk beweert en kennelijk en ondubbelzinnig heeft gesteld schade geleden te hebben en dus het feitelijk positum dat dooi' de wanpraestatie nadeel is berokkend, in de dagvaarding niet ontbreekt — daargelaten of dit voor de ontvankelijkheid der ingestelde actie met het oog op art. 1625 B. W-, in casu wel eens noodzakelijk was.

De bij art. 1625 B. W. opgelegde verplichting om het geïuurde te voorzien van beesten en bouwgereedschappen heeft niet uitsluitend ten doel den huurder een onderpand te verzekeren.

Ook in appel is de eischer bevoegd tot den afloop zijner zaak zijn eisch te wijzigen of te verminderen. Art. 134 B. R.

Door de bijvoeging «voor zooveel noodig» wordt enkel bedoeld dat de eischer zijne vordering vermindert voor het geval het Hof zich mocht vereenigen met de zienswijze der Rechttk' ('al: zaak zonder het bevolen getuigenverhoor niet 62893 WaS V°01 6ene eindbeslissing. Hof 's-Gravenhage.

(Zie het vonnis a quo in W. no. 6205).

— Art. 1637 e. v. B. W. — Art. 1585, 1933 B. W.

De ten processe gebleken feiten duiden niet op de rechtsverhouding in art. 1637 tot 1639 B. W. omschreven. ^ De overeenkomst, die uit die feiten volgt, is eene huur van diensten, welke onvatbaar is voor eenzijdige opzegging. Hof 's-Hertogenbosch. 6292. 3.

— Kan niet een gefailleerde, ofschoon hij de beschikking over zijne goederen heeft verloren, persoonlijk eene huurovereenkomst aangaan, en zich daarbij verbinden om den huurprijs uit andere middelen te voldoen ? —• Ja.

Kan diensvolgens eene vordering tot ontbinding der overeenkomst en ontruiming van het verhuurde op grond van wari betaling, niet met vrucht tegen een gefailleerde worden

mgestcld ? — Ja Rechtb. Utrecht. 6303. 3.

het fc"ceP^onee'e bepaling van art. 43 R. O. beperkt tot de j?eva' Qit Partijen in persoon of bij gemachtigden voor Kantonrechier verschijnen en zijn beslissing inroepen, maar ie toepasselijk wanneer wel in een contract bepaald is dat e geschillen aan de beslissing van roteren kantonrechter onderworpen zullen worden maar één der partijen, voor hem gedagvaard, zich op zijne onbevoegdheid beroept? — Ja. Rechtb. Rotterdam. 6315. 3.

(Zie het door de Rechtbank bevestigde vonnis van het Kan-

6245)reCht n°' 2 tS Rotterdam dd" 29 Juli 1892 in W- no'

Het bij art. 1185 lid 2 j° art. 1186 B. W. aan den verhuur|iej' toegekend voorrecht op de zich tot stoffeering van het gehuurde huis daarin bevindende voorwerpen, kan ook worden uitgeoefend ter zake van datgene wat den verhuurder bij rechterlijk vonnis is toegewezen als vergoeding van kosten, schade en interessen, zulks ter gelegenheid van eene uitge¬

sproken ontbinding van huur en verhuur. Rechtb. 's-Gravenhage. 6318. 2 ; Hof 's-Gravenhage. 6318. 2.

— Als bij verhuur van diensten een jaargeld bedongen is, dan volgt daaruit nog niet dat de overeenkomst voor een geheel jaar is aangegaan. Rechtb. Breda 6318. 2.

— Indien eene handeling eene overeenkomst schendt en tevens een onrechtmatige daad daarstelt, dan geeft dit aan den benadeelde de keuze om of uit de overeenkomst of uit art. 1401 B. W- te ageeren. Rechtb. Breda. 6319. 3.

— Vermits volgens art. 5, 2o Rechtsv. een exploit mag worden uitgebracht ten name eener corporatie zonder aanduiding van de personen waaruit zij bestaat, kan eene vergissing ten aanzien van de ten overvloede genoemde personen het exploit niet vitieeren.

Een brief, waarin door eenen huurder naar aanleiding van eene huuropzegging medewerking wordt gevraagd om te verkrijgen dat hij het gehuurde mag blijven bewonen, behelst de erkenning van de opzegbaarheid der huur. Rechtb. Leeuwarden. 6329. 2.

— Empfangs-theorie. — Een goede procesorde brengt mede, dat de rechter die partijen heeft gehoord, persoonlijk vonnis wijze. Rechtb. Alkmaar. 6325. 2.

— Uit den samenhang der artt. 1301 en 1302 B. W. volgt, dat het rechtsgevolg van art. 1301 zoowel aan de bedongen als i'an de wettelijk onderstelde ontbindende voorwaarde verbonden is, zonder da! het voorschrift tot aanvraag van een vonnis op deze algemeene werking der ontbindende voorwaarde inbreuk maakt.

Zoodanige uitspi lak strekt dan ook niet om de onderstelde ontbindende voorw.iarde te doen ontstaan, maar, evenals in den regel de uitspraak van den rechter, om het bestaan van de ontbinding ten gevolge van het vervuld zijn der voorwaarde vast te stellen.

Aan den verhuurder, die wegens wanbetaling der huurpenningen heeft gedagvaard tot ontbinding der huurovereenkomst, kan derhalve door het daarna door den huurder gedaan en door consignatie en beteekening gevolgd aanbod tot betaling zijn recht niet worden ontnomen tot bedoelde ontbinding. H. R. 6330. 1.

— Ontbinding van eene huurovereenkomst, waarvan de huur over het jaar berekend meer dan f 200 bedraagt. — Onbevoegdheid van den kantonrechter. — Art. 43 R. O. Ktgr. Amsterdam. 6335. 4.

-- Geen mdra aan de zijde van den schuldenaar, waar hem niet wederrechtelijk en toerekenbaar verzuim in den tijd van uitvoering der verbintenis te wijten is.

Waar dit eens niet het geval is, hetgeen de rechter in elk concreet geval heeft uit te maken, wordt geen inora gecréeerd, door eene vormelijk aan alle wettelijke eischen overigens voldoende inverzuimstelling. Rechtb. Zwolle. 6350. 3.

— Bij een exceptie -.-an 'lint-ontvankelijkheid tegen den eisch tot ontbinding der huurovereenkomst ingesteld zonder lormeele opheffing van een te voren gelegd pandbeslag, en terwijl na de dagvaarding de bewaarder vertrok, heeft gedaagde en excipient geen belang.

In dusdanig geval is er, waar de van waarde verklaring van het pandbeslag niet is gevraagd, geen cumulatie van de actiën bedoeld bij art. 1303 B. W. Rechtb. 's-Gravenhage. 6356. 3.

— Art. 43 R. O. doelt alleen op het geval dat partijen zich vrijwillig bij den kantonrechter aanmelden, ten einde zijne beslissing in te roepen omtrent een reeds bestaand geschil.

Dit artikel mist dus toepasselijkheid, waar partijen bij eene overeenkomst hebben bepaald, dat alle geschillen daaruit voortvloeiende aan de uitspraak des kantonrechters zullen worden onderworpen. H. R. 6365. 1.

(Zie het vonnis a quo der arrondissements-rechtbank te Rotterdam den 8 Febr. 1893 in W. no. 6315).

— Artt. 1933, 1934 B. W.

Waar uit de schriftelijke huurovereenkomst blijkt, dat de huur per kwartaal moest gekweten worden, daar kan de bewering des huurders, dat hij wekelijks de huur heeft afbetaald, op grond van art. 1934 B. W. niet door getuigen worden bewezen.

Evenmin is dat bewijs, op grond van art. 1933 B. W. in casu toelaatbaar om te bewijzen het beweren van den huurder, dat door hem met den verhuurder voor gezamenlijke rekening een affaire gedreven en bij de afrekening daarvan de verschuldigde huur wekelijks is verrekend. Hof Amsterdam. 6374. 2.

— De gehuwde vrouw kan niet in vrijwaring geroepen worden om aan derden de rechten te waarborgen, die zij beweren door de huui overeenkomst met den man, betreffend*» het Juor hem beheerde goed der vroc-w, te hebben verkregen. H. R. 6379.1.

— Loopt bij te late levering van reu hotel de schadetermijn tot den dag, waarop het hotel ter beschikking des koopers is gesteld of tot den dag, waarop de kooper in het hotel geliefde te trekken? — In eerstgemelden zin beslist.

Kan men eerst vergoeding vragen voor gemist genot van een gehuurd huis en daarna voor de verschillende deelen, waaruit dat genot bestaat? — Neen.

Kan men schadevergoeding vragen voor benadeeld crediet, wanneer men niet stelt, veelmin bewijst, dat men crediet had? — Neen. Hof 's Gravenhage. 6384. 1.

— De verhuurder is ontvankelijk in zijne tegen den huurder ingestelde vordering tot ontbinding der huurovereenkomst met schadevergoeding, wanneer de huurder de verschenen huurpenningen niet betaald heeft, daartoe gesommeerd is geworden, in verzuim gesteld en onmiddellijk gedagvaard.

Daarin wordt geen verandering gebracht door een aanbod van gereede betaling gevolgd van consignatie, na de dagvaarding gedaan.

Door handelingen die na de dagvaarding zouden zijn verricht, kan de verhuurder niet geacht worden van zijne vordering te hebben afstand gedaan. Rechtb. s Gravenhage. 6399. 1.

— Zelfstandige bewijslevering der huurovereenkomst door den verhuurder door overlegging van afschrift van het schriftelijk contract brengt mede verplichting van den huurder, die zich op zekere regeling van betaling beroept, afwijkende van het huurcontract, om die regeling te bewijzen. Rechtb. Amsterdam. 6405. 2.

— Indien een gedaagde in eersten aanleg heeft verklaard zich te willen bedienen van een door de eischers niet erkend stuk en dezen hebben volhard bij de ontkentenis, zonder dat de gedaagde daarop naar art. 177 B. R. vordert de echtheid te staven, mag hij dan nog eene vordering daartoe doen in hooger beroep? — Neen.

Heeft de huurder eene actie tot schadevergoeding tegen de erfgenamen van den verhuurder, wanneer de hypotheekhouder geene toestemming had verleend tot de huurovereenkomst, en deze krachtens art. 1223 B. W. de verhuurde boerenplaats heeft doen verkoopen? — Neen. Hof Leeuwarden. 6416. 1.

—• Voor het doen eindigen van eene mondelinge huur op den bepaalden tijd wordt blijkens art. 1607 B. W. vereischt eene tijdige opzegging zonder meer.

Het opgeven van een datum waarop men de huur wil doen eindigen, in de opzegging overbodig zijnde, moet het opgeven van een foutieven datum als van geen invloed op die opzegging worden geacht, zoodat aan die opzegging hare rechtsgeldigheid niet kan worden ontzegd, noch het wettig gevolg worden ontnomen. Ktgr. Zutphen. 6416, 2.

— De verplichting tot levering van het verhuurde in goeden staat (art. 1587 B. W.) berust op eene verbintenis om te geven, niet op eene verbintenis om te doen; de huurder is alzoo nietontvankelijk in eenen eisch om gemachtigd te worden tot tenuitvoerlegging van de verbintenis. Rechtb. Leeuwarden. 6420. 3.

— De borg van den huurder blijft tegenover den verhuurder aansprakelijk voor verschenen huur, zoolang de huurovereen-

t komst niet is ontbonden, ook al had ontbinding in rechten kunnen worden gevorderd, op grond dat de verhuurder niet aan zijne verplichting om het verhuurde te leveren had voldaan. Ktgr. Lemmer. 6428. 4.

— Waar de werkman zich verbindt een bepaald aangewezen veld af te maaien, zonder bepaling dat hij zich bij het verleenen van zijne diensten heeft te gedragen naar den wil en de bevelen van zijnen mede-contractant, bestaat geen huur en verhuur van diensten, maar aanneming van werk. Rechtb. Leeuwarden. 6429. 3.

— Zie Onrechtmatige daad. 6341. 2. — Zie Verzet. 6401. 3.

Huurpenningen. — Zie Faillissement. 6358. 4.

Huurder. — Zie Aanneming. 6284, 3.

Huwelijk. — Eene authentieke akte, waarbij niet een bepaald persoon als de aanstaande echtgenoote van hem tot wiens huwelijk bij die akte toestemming wordt verleend, is aangewezen, voldoet niet aan de bepaling van art. 126, 2°. B. W.

De wet Iaat niet toe dat de personen wier toestemming in een huwelijk gevorderd wordt, door een gemachtigde die toestemming verleenen. Rechtb. Alkmaar. 6291. 3.

— De beschikking eener Rechtbank op een verzoek tot ongegrondverklaring der weigering van een ambtenaar van den burgerlijken stand om het huwelijk der verzoekers te voltrekken, welke weigering daarop berustte dat het eerste huwelijk van den verzoeker bij rechterlijk vonnis ontbonden zou zijn verklaard wegens overspel met de verzoekster, is vatbaar voor hooger beroep.

Tegen de incidenteele beschikking der Rechtbank op zoodanig verzoek, waarbij een onderzoek is gelast, waarvan de beslissing der hoofdzaak afhankelijk kan zijn, staat derhalve evenzeer het hooger beroep, ook vóór de eindbeschikking, open. H. R. 1

— Art. 6 en 9 A. B.

Het huwelijksrecht is niet, gelijk het familierecht, publici juris, zoodat, wanneer een vreemdeling hier te lande met eene Nederlandsche vrouw trouwt, de echtgenooten vrijheid van keuze hebben ten aanzien der wetgeving, welke zij op hun huwelijks-goederenrecht wenschen toe te passen.

In casu moet de vrouw geacht worden de toepassing der Nederlandsche wetgeving te hebben begeerd, kunnende het tegendeel niet worden afgeleid uit het enkele feit van haar huwen met een vreemdeling.

Dit zelfde moet vermoed worden van den man, die hier te lande trouwde — niet deed blijken dat hij toen de toepassing der vreemde wetgeving verlangde en na zijn huwelijk herhaaldelijk verklaard heeft dat hij gehuwd was overeenkomstig de voorschriften der Nederlandsche wetgeving. Hof Amsterdam. 6303. 1.

— Zie Burgerlijke stand. H. R. 6339. 1; 6377. 2.

Huwelijken. — De wetgever en tweede en verdere —. 6428. 4.

Huwelijksche voorwaarden. — Zie Testament. 6323. 2. —

Zie Vruchtgebruik. 6288. 4.

Huwelijksgemeenschap. — Art. 235 j°. 236 B. W.

Art. 236 B. W. heeft de strekking, om te voorkomen een onbillijke bevoordeeling van den nieuwen echtgenoot ten nadeele van de kinderen uit het eerste huwelijk, maar geenszins ->0]gt daaruit, dat voor de schuldeischers der gemeenschap eenige vt-^ichting bestaat om gemelde omstandigheid bij 't. doen gelden hut»"-- -ambten in aanmerking te nemen. — Ont-

Zttf™ «#»"£, 4M%a*0* - "

schuld aan te spreken. Rechtb. Amsterdam. 6384. 3.

Hypnose — Eene vraag van den dag. 6398. 1.

_ Over de liulp de,- - 6397. 4; 6401. 4.

— Over — door H. Verheyen. 6403. 4.

De — in foro door Dr. 0. W. Bollaan en Mr. F. Uyttenbogaart.

6409. 3.

Hypothecaire crediteur. — Zie Koop en verkoop. 6319. 4.

— schuldeischer. — Zie Beslag. 6427. 3.

Hypotheek. — De, zij het dan ook ten gevolge van eene vergissing in het borderel, op een kadastraal perceel in zijn geheel ingeschreven hypotheek moet worden gehandhaafd en wel op het geheele perceel, zoolang niet blijkt, dat het de wil wasvan den inschrijver slechts een gedeelte daarvan te bezwaren. Rechtb. Heerenveen. 6309. 4.

— Zie Beslag. 6284. 2. — Zie Koop en verkoop. 6359. 3. — Zie Onroerend goed. 6428. 2.

Hypotheekhouder. — Zie Huur en verhuur. 6416. 1.

I.

Idsinga (Mr. J. H. H. M. van). — De administratieve rechtspraak en de constitutioneele monarchie door J. O. 6421. 3.

Itering (R. van). — Een Fransch jurist over — 6282. 4.

IJben (J.) ca. J. Rodermond. 6278. 3.

ijsvogel (E. A.) ca. W. Krabbendam. 6401. 2.

IJssel de Schepper (Mr. P.) beëedigd als advocaat en procureur. 6298. 4.

IJsselsteijn (H. C. E. van) ca. llirsch en Co. H. R. 6357. 2.

Imputatie van betaling. — Zie Valschheid. 6375. 3.

In gezelschap. — Zie Visscherij. H. R. 6287. 3.

In iiet klein. — Zie Drankivet. 6367. 3; 6425. 3.

In privé. — Zie Dagvaarding. 6277. 3.

— Zie Stoornis in bezit. H R. 6423. 1.

In qualiteit. — Zie Kerkelijke Geschillen. 6305. 2.

Inbeslagname. — Zie Faillissement. 6358. 4.

Inbreng van onroerend goed. — Zie Registratie. H. R. 6282. 1.

Incidenteel beroep in cassatie. — Zie Gedistilleerd. H. R. 6345. 1.

Incidenteele vordering. — Zie Verknochtheid. 6297. 2.

Indie (Ned.). — Zie Cassatie. H. R. 6419. 1.

Indisch Strafwetboek. — Bericht omtrent de Commissie belast met het ontwerpen van een nieuw — 6394. 4.

Indische comptabiliteitswet. — Toepassing van art. 73 in verband met art. 72 der Nederlandsch Indische comptabiliteitswet van 23 April 1864 (Stbl. no. 35). H. R. 6382. 1.

— wetgeving. — Hier te lande kan in cassatie niet worden geklaagd over schending of verkeerde toepassing van de bepalingen der Nederlandsch-Indische wetgeving.

Sluiten