Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erfdienstbaarheid had kunnen kennis dragen en derhalve zijne onwetendheid aan eigen onopmerkzaamheid zou zijn te wijten ;

0. dat in de akte waarbij door den ged. aan de eischeres het bewuste onroerend goed is verkocht, van het bestaan eener erfdienstbaarheid geen melding is gemaakt, en dat ook niet is gebleken, dat dit op eenige andere wijze of bij eenige andere gelegenheid aan de eischeres is bekend gemaakt;

O. dat echter in de bovengenoemde akte, verleden voor den notaris Mr. D., waarbij de ged. dat onroerend goed heeft gekocht is gevestigd de erfdienstbaarheid van waterleiding; dat deze akte is overgeschreven in de openbare daarvoor bestemde registers en de eischeres daarvan had kunnen kennis nemen, zoodat, indien in de akte, waarbij de eischeres het goed heeft gekocht, geenerlei beding omtrent de vrijwaring mocht zijn gemaakt, de vordering aan de eischeres zou behooren te worden ontzegd ;

O. dat echter in de beide meergemelde voor den notaris de B. v. D. verleden, akten staat vermeld dat de verkoop geschiedt

0. a. op deze voorwaarde: „dat de verkochte en afgestane grond geheel onbezwaard en onverhuurd, behoudens de na te melden uitzondering, wordt overgedragen aan de gemeente Utrecht, die den eigendom met het genot daarvan zal verkrijgen en voor alle rechten en verplichtingen daaraan verbonden, zal treden in de plaats van de verkooperes ; 2°. dat ten behoeve van den afgestanen grond de mede aan de maatschappij tot exploitatie van bouwterrein toebehoorende gronden, uitmakende een gedeelte van het kadastraal perceel nummer 876 zal bezwaard zijn en blijven niet de erfdienstbaarheid van weg voor — en — naar en tot tijd — en wijle — als daarbij vermeld ;

0. dat de uitdrukking „onbezwaard" èn volgens hare natuurlijke beteekenis, èn te meer wegens de daarop volgende uitdrukking „bezwaard" niet anders kan worden opgevat dan in den zin van „niet bezwaard met eenigen last", dus ook niet dien van erfdienstbaarheid, en dat derhalve de verkoopster, die volgens de wet gehouden was, om duidelijk uit te drukken waartoe zij zich verbond, bij die akte zich ondubbelzinnig verbonden heeft, de verkochte perceelen aan de gemeente over te dragen, vrij van eenige erfdienstbaarheid, terwijl de gemeente overigens in de verplichtingen zou treden door de wet aan het recht van eigendom verbonden ;

0. dat alle wettiglijke gemaakte overeenkomsten, hun, die ze hebben aangegaan, strekken tot wet; dat derhalve, ofschoon de eischeres van het bestaan der erfdienstbaarheid van waterleiding heeft kunnen kennis dragen, en al ware bewezen, dat de eischeres daarvan heeft kennis gedragen, hetgeen echter door haar niet is erkend en door ged. niet bewezen, daardoor de contractueele verplichting der ged. niet zou zijn opgeheven om de door haar aan de gemeente verkochte perceelen, ook al waren die tijdens den verkoop nog bezwaard met eenige erfdienstbaarheid, daarvan bevrijd aan de gemeente leveren ;

0. dat ditzelfde geldt van de perceelen, die de ged. bij meergenoemde akte, met belofte van vrijwaring volgens de wet, aan de gemeente Utrecht verklaart kosteloos te hebben overgedragen; dat toch, daargelaten of deze kostelooze afstand wel als eene schenking kan worden beschouwd, terwijl toch bij die akte namens de gemeente door haren haar vertegenwoordigenden burgemeester en secretaris werd erkend als bijdrage in de kosten van ophooging, bestrating, rioleering en verlichting van den kosteloos afgestanen grond van de verkoopster ten behoeve van de gemeente te hebben ontvangen eene som van f 3369, en of hier dus niet eerder moet worden gedacht aan eene overeenkomst zonder eigene benaming, in ieder geval ook deze wettiglijk aangegane overeenkomst, waarbij eveneens de ged. op zich genomen heeft den daarbij afgestanen grond geheel onbezwaard aan de gemeente over te dragen, te goeder trouw moet worden ten uitvoer gebracht;

0. dat diensvolgens de vordering der eischeres moet worden toegewezen;

Gezien artikelen 1374, 1509, 1527, 1528, 1529, 1538 en 1539 B. W. en art. 68 vlg., 52 en 56 Rechtsvord.;

Veroordeelt de ged. om de gemeente Utrecht te vrijwaren van elke verooi deeling, die tegen haar op de vordering van I. F. E., ingesteld bij dagvaarding van 11 Jan. '92 zal worden uitgesproken, en dientengevolge aan haar te vergoeden alle kosten, schade en interessen, welke de gemeente Utrecht tengevolge van voormelde erfdienstbaarheid en daarop gegronde, evengemelde vordering aan

1. F. E. zal hebben te betalen, of die zij tengevolge der door dezen te verkrijgen veroordeeling zal lijden ;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad in weerwil van hoogere voorziening;

Veroordeelt de gedaagde maatschappij in de kosten van het geding.

(Gepleit voor de eischende gemeente, door Mr. v. Bolhdis en voor de gedaagde door haren procureur).

HOOGE RAAD. — BULLETIN.

(bdbobblijke Kamicr.)

Zitting van Vrijdag, 13 Januari.

Voorzitter, Mr. J. G. Kist.

I. Beëediod ais advocaat en procureur, Mr. J. JE. van Rhede van der Kloot.

II. Uitspbaak gedaan in zake:

(eersten aanleg) J. Veldman, eischer, procureur Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn, tegen den Staat der Nederlanden, gedaagde, procureur Mr. W. Thorbecke. De vordering ontzegd.

III. Nieuwe zaak:

(cassatie) de naamlooze vennootschap „de Arnhemsche Tramweg Maatschappij", eischeresse, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw, tegen den burgemeester van Arnhem, verweerder, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein.

IV. Gepleit in zake:

(eersten aanleg) F. W. Stockey, eischer, procureur en advocaat Mr. G. A. P. Bax, tegen den Staat der Nederlanden, gedaagde, procureur Mr. W. Thorbecke (niet gepleit), entegen J. J. Boekholst c. s., intervenienten, procureur en advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein. Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 27 Januari.

(Strafkamer.)

Maandag, 16 Januari.

Uitspraak. De proc.-gen. bij het Hof te 's Hertogenbosch, tegen een arrest in zake J. P. M. W.

Id. H. K., tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage.

(Bürgbri,. kamer.)

Donderdag, 19 Januari.

Uitspraak. Jhr. P. J. van der Does de Willebois, burgemeester van 's Hertogenbosch, eischer, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw, tegen A. Klönnc, verweerder, advocaat Mr. D. S. van Emden.

Concl. O. M. K. van Dort, eischer, advocaat Mr. I. M. Hijmans, tegen G. van Duinen, verweerder, advocaat Mr. C. J. Fran^ois.

Pleidooi. J. Hillen, eischer, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen Mr. R. Baron de Bieberstein Rogalla Zawadsky qq., verweerder, advocaat Mr. H. de Ranitz.

Vrijdag, 20 Januari.

Pleidooi. T. Planteijdt c. s., eischers, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen J. Asjes c. s., verweerders, advocaat Mr. A. M. van Stipriaan Luïscius, en tegen J. Hart c. s., medeverweerders, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein.

benoemingen, veexiezingen enz.

Bij Kon. besluit van 12 Januari 1893, no. 9, is benoemd tot notaris binnen het arrondissement Zwolle, ter standplaats de gemeente Hattem, L. Temminck, candidaat-notaris aldaar.

— Bij Kon. besluit van 21 Januari 1893, no. 11, is benoemd tot lid van den Hoogen Raad van Adel, Jhr. M. P. Smissaert, te 's Gravenhage.

— Bij Kon. besluit van 13 Januari 1893, no. 26, is benoemd tot kantonrechter-plaatsvervanger in het kanton Hilversum, Jhr. Mr. H. B. Smissaert, wonende te Hilversum.

BERICHTEN.

's- Gravenhage, 14 Januari.

Onder de rubriek Wetenschappelijke Berichten en het opschrift De Prins-gemaal bevat de N. R. C. van den 1 Oen dezer, Eerste Blad B., eenige belangrijke beschouwingen over het onderwerp, door Mr. G. Wttewaal behandeld eerst in het W. v. h. R., daarna in de ons vorig nommer onder de rubriek Periodieke Literatuur besproken TAemis-afle vering. In dat nommer gaven wij reeds te kennen, dat wij de door den heer W. noodig geoordeelde speciale regeling ook nu nog niet urgent achtten, en dat wij in elk geval meenden, dat het door den geachten schrijver gewenschte „miniatuurwetje,1 niet zoo heel gemakkelijk van stapel zoude loopen. Thans willen wij er wel bijvoegen, dat het ook ons zeer wenschelijk zoude voorkomen —kof dit m o g e 1 ij k is, onderzoeken wij thans niet —, als door wijziging van het gemeene recht (B. W. B. I, T. VI en T. XV, Afd. 1) eene bijzondere regeling van de burgerlijke verhouding der Koningin tot Haar Gemaal onnoodig kon worden gemaakt. Een „afzonderlijk hofrecht" wenschen wij, zoo men er maar eenigszins buiten kan, zoomin als de schrijver in de N. R, C., dien wij nu het woord geven :

Mr. Wttewaal, rechter te Arnhem, heeft in de laatste aflevering van het rechtskundig tijdschrift Themis een opstel geschreven over „de burgerrechtelijke verhouding der koningin tot haar gemaar'. De schrijver vestigde reeds twee jaren geleden op dit onderwerp de aandacht in het Weekblad van het Recht, no. 5951. Toen meende de redactie van dat blad dat zijne denkbeelden wel overweging verdienden, maar dat wegens den nog teederen leeftijd der Koningin de wetgever dit onderwerp, met zijne „vragen van moeilijken en kieschen aard", nog niet zoo „spoedig" behoefde ter hand te nemen als de schrijver wenschte.

Mr. Wttewaal komt na twee jaren berusting op de zaak terug, en meent dat de tijd thans gekomen is, omdat „Hare Majesteit thans reeds (is) in het overgangstijdperk van kind tot jonkvrouw; omdat de openbare bespreking van het onderwerp thans waarschijnlijk nog ongemeikt over haar hoofd zal heengaan", en omdat die bespreking een te persoonlijk karakter zou dragen, indien men talmde totdat de aanstaande echtgenoot aangewezen ware.

Mr. Wttewaal wenscbt „een miniatuurwetje", kortelijk bepalende, dat, terwijl naar het gemeene recht de man het hoofd der echtvereeniging is, in dit geval „de Koningin het hoofd van Hare echtvereeniging zou zijn".

Waarom ?

Vooreerst om het Nederlanderschap voor de Koningin, wanneer zij met een vreemdeling huwt, te behouden en het .aan haren gemaal, die dan „haren staat zou volgen'" toe te kennen ; dan om de Koningin te onttrekken aan de verplichting haren echtgenoot gehoorzaam te zijn en hem naar de woonplaats zijner keuze te volgen, ten einde juist haar het hoogste gezag te geven in haar huis; voorts om haar de bevoegdheid te verzekeren, niet alleen haar eigen vermogen te beheeren — wat reeds nu bij huwelijksche voorwaarden zou kunnen bedongen worden —, maar ook de bevoegdheid om zonder toestemming van den gemaal over hare goederen te beschikken (wat anders zelfs voor giften aan instellingen van liefdadigheid, kunst of wetenschap onmogelijk zou zijn), gelden te ontvangen en andere burgerrechtelijke handelingen te verrichten; voorts om haar erentueele rechtsgedingen te kunnen laten voeren zonder bijstand van haren echtgenoot; eindelijk, vooral, om haar de uitoefening toe te kennen van de ouderlijke macht en daarmede het beslissende woord in de opvoeding der kinderen.

Wij zijn het met den schrijver geheel eens, dat de kieschheid van het onderwerp niet mag beletten om het onder de oogen te zien, indien daardoor mogelijke moeilijkheden konden worden voorkomen.

Maar wij zijn het niet eens met de aangegeven oplossing: in afwijking van het gemeene recht eene bijzondere wet nadrukkelijk te doen verklaren dat de Koningin het hoofd van hare echtver¬

eeniging is. Wij laten geheel ter zijde de vraag of, nu de grondwet wel ten aanzien van de voogdij maar niet ten aanzien van het huwelijksrecht eener Koningin eene speciale wet voorschreef, het maken van zulk eene wet met onze staatsinstellingen in overeenstemming ware. Maar wij zijn zeer stellig van oordeel dat, tegenover de rechtsopvattingen en de ethische opvattingen, welke omtrent de verhouding tusschen man en vrouw in het algemeen bewustzijn, ook van het Nederlandsche volk, leven, door eene plechtige verklaring des wetgevers dat in dit geval de vrouw het hoofd der echtvereeniging zal zijn, op het huwelijksleven onzer Koningin, op haar persoon en op den persoon van haren gemaal een stempel zou worden gedrukt die, om er nu niets anders van te zeggen, aan eene eerbiedige en fijngevoelde vereering van de vorstelijke personen door het volk ernstig zou kunnen schaden. En wij zouden even stellig meenen, dat het zeker niet aangaat om tijdens de minderjarigheid der Koningin aldus te beschikken over iets wat hare persoonlijke waardigheid, haar huiselijk leven en haar vrouwelijk gevoel van zoo nabij raakt.

Wij achten eene verklaring als Mr. Wttewaal wenscht, ook volstrekt niet noodig.

De geëerde schrijver zegt wel dat eene goede, weldoordachte keuze van een gemaal niet beletten mag dat toch voor wettelijke waarborgen worde gezorgd. Maar men zij vooral niet te doctrinair. De zeden vermogen op dit gebied veel meer dan de wetten, en in den persoon van den gemaal en de hooge positie van beide echtgenooten en in hun bewustzijn van die positie liggen zeer stellig waarborgen sterker dan menig wetsartikel.

In theorie kan men het geval zich denken dat de prins-gemaal de echtelijke woning buiten het land of buiten de residentie wil opslaan, maar zulke onderstellingen behoeven waarlijk eenen wetgever niet te verontrusten. Bovendien heeft de Grondwet gelast, dat de zetel der regeering blijve binnen de grenzen.

Dat de gemaal vreemdeling zou z\jn is niet denkbaar.; hij zal vooraf Nederlander worden, genaturaliseerd „om overwegende redenen van staatsbelang". Dat hij „in het paleis als heer zou mogen gebieden"" en dat „het personeel zijne bevelen hadde te gehoorzamen"" schijnt ons onjuist, omdat het naar de Grondwet de Koningin is die „Haar Huis naar eigen goedvinden inricht", voor wie en naar wier bevelen de hofhouding bestaat.

Eene zaak geven wij Mr. Wttewaal volkomen toe. De Koningin moet de bevoegdheid hebben om zonder bijstand of toestemming van haren gemaal over haar vermogen te beschikken, alle burgerrechtelijke handelingen te verrichten en om zonder zijnen bijstand te procedeeren. Dat moet aldus bij de huwelijksche voorwaarden kunnen worden bepaald; en de wet, die dat nu belet, moet gewijzigd worden. Doch geldt zulks niet ook voor menige andere vrouw, al treft de fout der wet hier sterker ? Wil men nu dit ééne punt voor de Koningin in eene speciale wet regelen — [daarover is te denken ; doch o. i. ware het veel beter om te zorgen dat tegen dien tijd, waarop voor onze Koningin het gebrek der wet verholpen zou moeten worden, het voor alle vrouwen, wier belangen dit meebrengen, reeds verholpen is.

Ook ten aanzien van de ouderlijke macht, waarmee het toezicht op de opvoeding der kinderen samenhangt, wordt de onbuigzaamheid onzer burgerlijke wet erkend en terecht door velen afgekeurd. Ook hier erlange dat gemeene recht wijziging. Maar juist hierbij zie men ten aanzien van de Koningin in het bijzonder toch niet voorbij den waarborg voor het harmonisch samengaan van de moeder en den vader, welke in hunne hooge positie gelegen is. Bovendien bedenke men dat gouverneurs van prinsen tot het „Huis der Koningin" kunnen gerekend worden.

Zoo zouden wij dus in geen geval eene wettelijke verklaring verlangen als door Mr. Wttewaal is bedoeld. En zoo zouden wij de enkele practisch noodige afwijkingen van de nu geldende burgerlijke wet mogelijk gemaakt willen zien door verbetering van het gemeene recht zelf.

Een afzonderlijk hofrecht zou o. i. ook met de Nederlandsche opvattingen niet wei strooken. Wil echter Mr. Wttewaal z\jn stelsel nader verdedigen, dan trachte hij het voor zijne rechtskundige lezers nog wat nader toe te lichten door mededeelingen omtrent wat het hofrecht in andere landen met vrouwelijke troonopvolging op dit punt bevat.

advertentien.

Bij de Uitgevers dezes is ter perse:

De Bernsche Spoorwegconventie

van 14 Octobei* 1890,

TOEGELICHT DOOR

Mr. O. X>. Asser Jr.,

Advocaat te Amsterdam.

Bij GEBR. BELINFANTE, te 's-Gravenhage, is verschenen:

W -Ej T

VAN

12 December 1892 (Staatsblad N°. 268)

OP

bet MerlaMersclap ei M Imezeteiiscliap,

met aanteekeningen, aan de gewisselde stukken en de discussiën in de beide Kamers der Staten-Generaal ontleend,

DOOR

Mr. ET. J. A, Mulder.

Prijs f 0.50.

Snelpersdruk en TJitgave van GEBR. BELINFANTE, te 's-Gravenhage.

Sluiten