Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 6 Februari i893.

N\ 6289.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIJF-EN- VIJFTIGSTE JAARGANG.

JUS ET YERITAS.

Dit blacl verschijnl des Maandags. Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enzfranco aan de Uitgevers.

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

WETGEVING.

EERSTE KAMER DER STATEN-GENERAAL.

Vergadering van 27 Januari 1893.

Staatsbegrooting voor 1893. — Hoofdst. III.

Internationale akbitrage. Onschendbaarheid van particulieren eigendom ter zee in oorlogstijd. kaapvaart.

De heer Six: Mijnheer de Voorzitter! Een van de aangenaamste oogenblikken in de bijeenkomst van de Commissie van Rapporteurs over dit hoofdstuk van de Staatsbegrooting was, toen zij zich in staaï gesteld zag in het Verslag te mogen opnemen de algemeene verklaring van sympathie met het streven om overeenkomsten te sluiten ter beslechting van internationale geschillen door scheidsrechters. Trouwens, van de belangstelling van de leden dezer Kamer in dit edel streven was ook reeds vroeger gebleken door het nagenoeg algemeen toetreden van de leden der Kamer tot de Parlementaire vereeniging tot bevordering der onderwerping van internationale geschillen aan scheidsrechters. Maar het heeft zeker

Mijnheer de Voorzitter, en velen onzer verdroten, in den zomer Va" 1892, dat, niettegenstaande die sympathie en die belangstelUng, de omstandigheden ons niet hebben vergund deel te nemen aan de beraadslagingen van het interparlementair congres te Bern. Nochtans een onzer heeft die beraadslagingen bijgewoond en werd pelfs geroepen om den voorzittersstoel in te nemen. Zijn optreden 's daar van dien aard geweest, dat wij veilig mogen vertrouwen dat de geringe opkomst van de leden dezer Kamer daardoor vergeten werd.

Ik vertrouw, zoo al niet uit naam van de Kamer, toch uit naam van de zeer groote meerderheid harer leden te mogen spreken, wanneer ik ons hooggeacht medelid, den heer Eahusen, verzoek den dank te aanvaarden voor de uitnemende wijze, waarop hij de eer der Kamer op het parlementair congres heeft weten op te houden.

De heer Rahusen: Post alia.

Ik ben mijn collega Six dankbaar voor de tot mij gerichte woorden, maar ik recuseer die: ik heb niets anders gedaan dan wat onder de gegeven omstandigheden mijn plicht medebracht. Naar aanleiding van het door de Regeering aangevoerde, wil ik echter een enkel woord over dat arbitrage-stelsel in het midden brengen. Bij het eerste punt had ik de Regeering niet aan mijne zijde; op dit punt is zulks gelukkig wel het geval.

Er is een tijd geweest, dat men om dergelijke denkbeelden lachte, dat de groote Mogendheden gewichtige en moeilijke questiën door arbitrage zouden laten oplossen. Die tijd ligt gelukkig achter ons. Het is een troost voor hen, die deze denkbeelden hebben verdedigd, dat om alle nieuwe grootsche denkbeelden in den aanvang steeds gelachen is.

Er is een bekend Engelschman, Henry Richards, die, toen hij in het Parlement aangevallen werd om zijne denkbeelden over het arbitrage-stelsel, deze merkwaardige woorden sprak, die mijns inziens volkomen juist zijn: „Gij lacht over mijn denkbeeld; maar weet gij wel dat ik van u vraag hetgeen gij verlangt dat anderen doen, o Staat I De Staat verlangt dat recht gesproken wordt tusschen de burgers van den Staat en zelfs tusschen een burger en den Staat zeiven. Welnu, wij vragen van u, Staat, niets anders dan dat gij hetzelfde doet, dat gij u onthoudt van iedere daad van eigen berechting, maar dat gij anderen laat beslissen wanneer er geschillen ontstaan tusschen u en andere Staten".

Ik geloof inderdaad dat in die woorden ontzaglijk veel waarheid gelegen is. En nu moge het nog voor het oogenblik eene utopie om te verlangen dat alle mogelijke geschillen langs scheidsrechterlijken weg beslist moeten worden, maar laat ons even daartegenover nagaan wat in de laatste jaren reeds op dit terrein geschied is. Wij hebben gezien dat twee van de machtigste rijken van de wereld, de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en Engeland, toen groote en ernstige geschillen waren gerezen wegens den oorlog, die Amerika verdeeld had, geschillen die liepen over de neutraliteit van Engeland en over de wijze waarop die neutraliteit bewaard was geworden, die geschillen hebben onderworpen aan arbiters. Een uitstekend voorbeeld werd daarmede gegeven aan de geheele wereld, en dat voorbeeld heeft het heerlijke gevolg gehad dat een van de meest heillooze oorlogen is voorkomen, die anders bijna stellig zou zijn uitgebroken. En voor Nederland kan ik er op wijzen, dat nog zeer onlangs een machtige Staat, . rankrijk, met Nederland heeft gearbitreerd over de grensregeling in Suriname. Frankrijk heeft het niet beneden zich geacht om een dergelijke arbitrage aan te gaan.

Het is dus zeer verklaarbaar dat op dat congres te Bern waarvan de heer Six gesproken heeft, dit besluit is genomen: „La conférence émei le voea que la clause d'arbitrage soit intéressée dans les traités de commerce et de protection de la propriété industrielle, littéraire et artistique, qui sont soumis a la ratification des parlements".

Ik hoor reeds zeggen: maar op die wijze neemt gij den ooi log niet weg. Zeker niet, Mijnheer de Voorzitter, oorlogen zullen zeker nog wel lang blijven bestaan. Maar er is reeds veel gevorderd wanneer men op den goeden weg is, en nu is het besluit te Bern niets anders dan de eerste en bescheiden schrede op den weg van arbitrage gezet en het is te verwachten en zeer te hopen dat die schrede nog door vele andere zal worden gevolgd. Maar daarom moet men — en dit is terecht in het verslag opgemerht — uio

kalmte en bescheidenheid te werk gaan. Er waren enkelen te Bern, die reeds nu het oogenblik gekomen achtten om op te richten een algemeen scheidsgerecht voor Europa, waarin zitting zouden hebben de vertegenwoordigers van de hoven van cassatie van de verschillende landen van Europa. De groote meerderheid was evenwel van meening, dat die zaak nog niet rijp was voor eene beslissing. Die gelooven, haasten niet. Maar eene zaak mag men bij dit alles niet over het hoofd zien, dat is, dat wanneer langzamerhand de publieke meening voor het stelsel van arbitrage gewonnen is, de tijd gekomen is dat volkeren en Souvereinen beiden zich aan arbitrage zullen moeten onderwerpen. Want wanneer de publieke meening voor eene zaak gewonnen is, is het ijdel er tegen te strijden : die les geldt evenzeer, geloof ik, voor een volk als voor den Souverein.

Zou het geen groote zegen zijn voor de zoogenaamde beschaafde wereld, als men een groot getal soldaten uit de kazernen naar den ploeg, de fabriek en het kantoor kon doen terugkeeren ? Zoodoende zouden toch niet alleen groote kosten aan de schatkist bespaard worden, maar te gelijk zou de élite der natie, dat wil zeggen : dat deel der mannelijke bevolking dat het meest geschikt is om te arbeiden en werkzaam te zijn voor de welvaart, niet langer aan dien arbeid onttrokken worden.

Zou het voor Nederland geen groote zegen zijn, wanneer het niet meer millioenen schats had uit te geven voor een laatste reduit, voor eene legerorganisatie, vestingwerken van allerlei aard, maar als het de budgetten van Oorlog en Marine — vooral van Oorlog — aanzienlijk lager kon stellen en de menschen weer kon teruggeven aan het werk, waartoe zij van nature aangewezen zijn ?

Ik zal over dit punt niet verder uitweiden; ik erken gaarne dat de stap, die te Bern gezet is, eene eerste schrede is; ik ben het volkomen eens met de heeren, die zeggen : daardoor wordt de oorlog niet voorkomen ; maar ik gevoel behoefte daaraan toe te voegen : nog niet, maar later misschien wel I

Wij zullen het niet beleven, maar wanneer wij in die richting iets goeds gedaan hebben, zal dit voor onze nazaten eene aangename voldoening zijn.

Eindelijk een kort woord over een onderwerp, dat ook te Bern besproken is: de onschendbaarheid van den particulieren eigendom ter zee in oorlogstijd.

Gij weet, Mijne Heeren, dat volgens het oude recht de goederen van den vijand aan niemand toebehoorden en prijs verklaard konden worden. Met dat beginsel is sedert geruimen tijd gebroken, wat het oorlogsrecht te land betreft. Ja, wij hebben in 1870 Duitsche legers gezien, die Frankrijk overheerden en goederen wegnamen, maar volgens het moderne begrip tegen schadevergoeding.

En nu bestaat deze ontzaglijke anomalie tusschen het oorlogsrecht ter zee en te land, dat, het beginsel van schadeloosstelling in het oorlogsrecht ter zee niet geldt en daar het oude recht blijft gehandhaafd.

In 1856, na den Krimoorlog, heeft een belangrijk feit plaats gehad. Men herinnert zich de „Déclaration maritime de Paris" van 16 April 1856. De groote Mogendheden hebben toen, teekenende het Tractaat ter bevestiging °van den Europeeschen vrede, gemeend daaraan eene declaratie te moeten toevoegen, die vier punten bevat, waarvan ik ter bekorting slechts het eerste zal noemen. Dit punt luidde „La course est et demeure abolie". „De kaapvaart is en blijft afgeschaft".

Toen men deze maritieme Declaratie onderwierp aan de Vereenigde Staten, hetgeen geschiedde door den Franschen ambassadeur te Washington, den graaf de Sartiges, antwoordde Amerika : „Ik kan daartoe niet besluiten". Amerika had betrekkelijk geen groote marine en wilde zich het recht der kaapvaart voorbehouden ; maar het voegde er bij ; wanneer gij eene schrede verder wilt gaan en allen particulieren eigendom ter zee onschendbaar verklaren, zooals dat te land onschendbaar is, ga ik mede en is de kaapvaart een onding, daar zij dan niets meer te doen vindt.

Ik wensch met een enkel woord te herinneren aan de werkelijk uitnemende diplomatieke akte die daarover afgegeven is door den £eer Marcv, den toenmaligen secretaris van Buitenlandsche Zaken der Vereenigde Staten. Enkele woorden zij het mij vergund aan te halen s .

„La proposition d'abandonner le droit d employer les corsaires est fondée sur ce principe, que la propriété particulière des noncombattants inoffensifs, quoique ennemis, doit être exempte des ravages de la guerre ; mais, mêmc en faisant eet abandon qu'on nous propose, on serait encore loiu de compte pour appliquer ce principe qui veut que la propriété particuliere ne soit pas saisie ou molestée par des vaisseaux de guerre. Si les principales puissances de 1'Europe s'accordent k Pr0P0ser, comme principe de droit international, k exempter la propriété particulière sur 1'Ócéan de toute saisie par les croiseurs arniés par un Etat de même que par les corsaires, les Etats-Unis s°nt tous prêts k se rencontrer avec eux sur ce large terrain.

„La proposition de nous engager k renoncer k 1'emploi des corsaires, dans le cas oti ce pays serait entrainé dans une guerre avec une grande puissance navale, ne mérite pas plus de considération qu'une proposition tendante k nous obliger k ne pas accepter les services des volontaires pour les opérations militaires sur terre. Lorsque 1'honneur et les intéréts de notre pays exigent qu'il prenne une attitude hostile, il compte sur de patriotisme de ceux de ses enfants qui ne sont pas voués par état k la profession militaire, pour augmenter 1'armée et la marine, de manière k être k la hauteur des circonstances, qui réclament leur concours pratiotique".

Deze akte, bevattende zulke juiste en zulke genereuze denkbeelden, heeft in Engeland geen weerklank gevonden. Men meende dfi&r dien weg niet te moeten opgaan. Te Bremen z\jn later vergaderingen gehouden en de Minister zal zich herinneren dat ooi-

te Amsterdam in Felix een avond aan dat onderwerp besteed is geworden. Het resultaat van een en ander was dat er besloten werd het voorstel, van de Vereenigde Staten uitgegaan, krachtig te steunen.

En nu is misschien het oogenblik gekomen — vooral onder dit Ministerie — dat Engeland de groote voordeelen van dat voorstel zal gaan beseffen. Want, welke natië kan zeggen dat zij zulk een kolossaal kapitaal van particulier eigendom op de baren heeft drijven, als juist Engeland.

In dit opzicht deed het mij groot genoegen dat het blijkt dat de Minister van Buitenlandsche Zaken de denkbeelden waarvan ik gewaagde niet alleen omhelst, maar zelfs de verwachting uitspreekt dat de tijd niet meer veraf is dat die denkbeelden tot volkenrechtelijke beginselen verheven zullen worden.

Ik ben de Regeering dankbaar voor dat antwoord en voeg er bij dat het misschien juist ligt op den weg van een klein, maar vermoedelijk bij een zeeoorlog, neutraal land, als Nederland, om zulke beginselen krachtig te steunen, ook door handelend optreden.

Ik vraag er de Vergadering verschooning voor dat ik haar eenige oogenblikken bezighield met theoretische beschouwingen. Mijne verontschuldiging moge zijn dat die theorieën in de practijk kunnen leiden en, zoo wij hopen, spoedig zullen leiden tot verbetering van den bestaanden toestand.

De heer van Tienhoven, Minister van Binnenlandsche Zaken. Post alia.

Voorts is ook in deze Kamer ter sprake gebracht het stelsel van arbitrage en het beginsel der onschendbaarheid van privaat eigendom ter zee. Na hetgeen in den anderen tak der Vertegenwoordiging daarover gesproken en thans in de gewisselde stukken door de Regeering opnieuw verklaard is, zal ik daarover niet verder uitweiden ; vooral niet na de belangrijke rede van den geachten afgevaardigde uit Noordholland, aan welk betoog ik gewis te kort zou doen, door er nog iets aan te voegen.

Ik hoop, dat de tijd eenmaal zal komen dat deze Regeering niet alleen met woorden, maar met daden de sympathie zal kunnen toonen, welke zij voor beide onderwerpen gevoelt.

Maar ik geloof dat de geachte spreker te ver zou gaan wanneer hij meende dat de woorden van de Memorie van Antwoord : „dat de tijd, waarin die onschendbaarheid" (namelijk van bijzonder eigendom ter zee) „als volkenrechtelijke regel wordt aangenomen, niet ver meer verwijderd zal zijn" zijn nedergeschreven met de wetenschap dat de hoop daarop spoedig zal verwezenlijkt worden. Inderdaad dat is de bedoeling van die woorden niet geweest, en dat zou de Regeering ook niet hebben kunnen verklaren. Die zinsnede moet dan ook in het geheele redeverband genomen worden. De Regeering wees er op dat hier te lande steeds groote instemming heeft bestaan met het beginsel dier onschendbaarheid en dat, nu allerwege, ook in andere landen, mede als gevolg der behandeling van die aangelegenheid op het interparlementair congres te Bern, een streven in die richting zich zoo krachtig openbaart, men de hoop mag koesteren dat de tijd niet ver meer zal zijn dat die onschendbaarheid van privaat eigendom ter zee als volkenrechtelijke regel zal worden aangenomen. Ik behoef daarbij niet meer stil te staan bij de motie-Baumbach onlangs in den Rijksdag gedaan, om namelijk den Rijkskanselier te verzoeken etappen te doen om die onschendbaarheid door de verschillende Staten te doen erkennen.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 30 December 1892.

Voorzitter, Mr. J. G. Kist.

Raadsheeren, Mrs.: J. Kalff, J. J. van Meerbeke, I. Telting, Jhr. B. C. de Jonge, Ph. van Blom en A. P. Th. Eijsseli,.

De gemeentewetgeoer is onder de tegenwoordige Grondwet, niettegenstaande de bij art. V van de additioneele artt. bedoelde wettelijke regeling nog ontbreekt, bevoegd te bevelen dat vleesch en visch, waarvan het gebruik schadelijk is of vermoed wordt schadelijk te zijn voor de gezondheid, op last van B. en W. ten koste van den eigenaar zal worden begraven.

A. H. van Hoeck, burgemeester der gemeente Helmond, eischer, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Bbauw,

tegen

H. Ohbens, verweerder, advocaat Mr. D. S. van Emden.

Adv.-gen. van Maanen heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren 1 Het cassatiemiddel heet: Schending en verkeerde toepassing van de artt. 142, 144, 152 en van het 5e add. artikel der Grondwet, van art. 135 en 180 Gemeentewet; van art. 625 B. W. en van art. 51 en 56 Alg. Pol. Verord. van de gemeente Helmond van den lOen Mei 1890, doordien bij het beklaagde vonnis is overwogen, dat art. 56 der Pol. Verord. voornoemd is in strijd met art. 625 B. W. en daarom niet verbindend en dat de daad van het dagelijksch bestuur om overeenkomstig art. ">fi d!?r Po! Verord. afgeV'jH. rlensch •" doen

Sluiten