Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vrij onbestemde verklaring af te leiden, dat er met grootere snelheid is gereden dan bij art. 11 der Prov. verordening van 16 Nov. 1888 is toegelaten. En Iv. (3e getuige van het enqnest) zegt wel, dat hij de tram na het ongeval heeft zien stil staan ter hoogte lusschen de Sumatrastraat en de Laan Copes, en hij leidt daaruit af en uit de omstandigheden dat alleen het wiel van des eischers rijtuig is afgeslagen, dat de tram eene groote snelheid had, maar daartegenover staat de verklaring van v. 't H. (3e get. van het contra-enquest), die als hoofdconducteur op de tram dienst doende, alles behoorlijk waargenomen en daarvan een verslag voor de Directie opgemaakt heeft; dat de tram op de gewone wijze niet bijzonder snel reed en dat na den schok slechts op den korten afstand van ongeveer 14 meter is doorgereden, wel een bewijs dat de snelheid niet groot was.

De botsing was, volgens denzelfden get. niet zoo hevig, dat daar ook een schok plaats greep, door de get. v. V. (Ie van het contra-enquest), die in een wagon van de tram zat, is dan ook geen schok gevoeld, en het is daarom alleszins verklaarbaar, dat het rijtuig niet weggeslingerd, maar slechts een wiel daarvan afgebroken is, terwijl toch zeker allerminst uit deze laatste omstandigheid noodzakelijk voortvloeit dat er te hard gereden is en van de beweerde te groote snelheid blijkt dus niets.

Ten bewijze dat er niet tijdig gebeld is, dat er niet gebeld is, zooals art. 8 der Prov. verordening voorschrijft, voortdurend, of bij kleine tusschenpoozen op een afstand van 25 meters van den overweg, waarop de aanrijding heeft plaats gehad, beroept de eischer zich op dezelfde getuigen K. en v. B. Maar dat die getuigen reden hadden om op het bellen te letteu, en daarop gelet hebben blijkt niet, want wel heeft IC. kort voor het ongeval met den eischer gepraat over het gevaar voor rijtuigen om de trambaan ter hoogte van Groenhoven te passeeren, waar hij zegt er niet naar geluisterd te hebben, of er ook dien avond nabij den overweg gebeld werd en hij stond nog met zijn rijtuig voor het huis Groenhoven toen het ongeval plaats had. En v B., die zoo pertinent zegt dat er niet gebeld is vóór den overweg, iaar wel eene bel gehoord heeft bij de botsing, bevond zich aan de overzijde van het Kanaal, had met de tram of het rijtuig van den eischer niets te maken, en kan dus wel overtuigd zijn dat er vóór den ovsrweg niet gebeld is, maar kan dit slechts weten indien hij • be^aldelijk daarop heeft gelet, wat hij geen belang had te doen, en ook niet zegt gedaan te hebben. En welke waarde kunnen dan deze getuigenissen hebben tegenover die van v. V., die in de f wagon zittende kort vóór de botsing heeft hooren bellen, tegenover die van M. G. v. O. (4e get. van het contra-enquest) welke heeft hooren bellen kort voordat zij een geluid vernam alsof de tram ontspoorde, en vooral tegenover die van den hoofdconducteur v. 't H., die gestaan heeft op het baleon dadelijk achter de machine, en volgens wien er gebeld is bij den Waalsdorpschen weg, en vervolgens weder ongeveer voor Groenhoven, op eenigen afstand van den overweg. Merkwaardig is het dan ook, dat, toen dadelijk na het ongeval de machinist van de tram tot den eischer zeide: „waarom hebt gij niet gestopt? gij hoordet toch wel bellen", des eischers antwoord niet was, dat er niet was gebeld, of dat hij geen bellen geboord had, maar dat hij gedaan had wat' hij kon om er omtr te komen. Ook dat heeft v. 't H. verklaard, en dat komt geheel overeen met de opgave van den get. W. (6e van het enquest), dat toen hij na het ongeluk den eischer kermende op den weg vond liggen, de eischer zeide dat hij zijn best had gedaan om voor de stoomtram over den overweg te komen, maar dat de tram hem desniettegenstaande gepakt had. Maar dan is het ongeluk dat den eischer overkomen is aan zijne eigene onvoorzichtigheid te w.ijten, niet aan schuld, nalatigheid of onvoorzichtigheid van den machinist of bestuurder van de stoomtram , schuld, nalatigheid of onvoorzichtigheid waarvan in ieder geval het bewijs door den eischer niet is geleverd.

Ik concludeer tot ontzegging der vordering met veroordeeling van den eischer in de kosten.

De Hooge Raad enz.

Partijen gehoord ;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der feiten overnemende hetgeen dienaangaande is overwogen in het interlocutoir arrest op 15 Jan. 1892 tusschen deze partijen gewezen, en verder overwegende :

dat ter uitvoering van voormeld arrest door den daarbij tot dit verhoor benoemden raadsheer-commissaris zijn gehoord acht getuigen voorgebracht door den eischer, en vier getuigen voorgebracht door den ged.; dat de processen-verbaal dier verhooren in het geding zijn gebracht en vervolgens door de wederzijdsche procureurs gemotiveerde eindconclusien ter rolle zijn genomen, waarbij is beweerd van de zijde der eischers, dat de ten bewijze gestelde feiten zijn gestaafd, en van de zijde des gedaagden dit is bestreden, waarna de zaak is bepleit;

Ten aanzien van het recht:

Overwegende dat overeenkomstig het onder 5, 6 en 7 gestelde als door die verhooren bewezen kan worden aangenomen, dat in den laten avond van 27 Sept. 1889 het door den eischer bestierde rijtuig, op het kruispunt van den toegangsweg tot het huis Groenhoven met de trambaan, is aangereden door den van Scheveningen komenden stoomtramtrein, met het gevolg dat een der achterwielen van dat rijtuig is verbrijzeld en de eischer zwaar gewond is geslingerd van den bok, en dat deze na lange verpleging nog steeds de nadeelige gevolgen van dit ongeval ondervindt, ook ten aan- < zien van de geschiktheid om zijn levensonderhoud te winnen- 1 dat echter, ten aanzien der oorzaak van dit ongeval, hetwelk s de eischer toeschrijft aan de nalatigheid en onvoorzichtigheid van 1 het trampersoneel, waarvoor de ged. verantwoordelijk is, niet is 1 gebleken dat, zooals hij ^ub 2" heeft gesteld, de tram op het be- ^ wuste oogenblik hard (in den zin van harder dan daar ter plaatse 1 is veroorloofd) is komen aanrijden, noch dat toen is verzuimd om i op den daartoe voorgeschreven tijd te bellen, althans dit eerst d geschied zou zijn toen het te laat was om de dreigende botsing g te voorkomen, zooals bij dat positum in verband met het volgende b was aangeboden te bewijzen; , c

dat, vermits blijkens de dagvaarding de cisch berust op het a alstoen te hard rijden en niet tijdig bellen, en zulks evenmin van d elders als uit de getuigenverhooren is gebleken, het bewijs van n nalatigheid en onvoorzichtigheid ontbreekt, zelfs al ware gebleken d van het allereerst door eischer gestelde omtrent doorgaande nala- k tigheid in 1889 op de tram in het bellen nabij Groenhoven; en z dat hieruit volgt dat ae eisch behoort te worden ontzegd; Rechtdoende: d

Gezien de artt, 1401 tot 1403 en 1902 B. W. en 56 B. R.; v Ontzegt den eischer zijne vordering en veroordeelt hem in de k daarop gevallen kosten, ook die bij 's Raads interlocutoir van 15 ® Jan. 1892 voorbehouden. n

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 16 Januari 1893.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefstinq.

Raadsheeren, Mrs.: A. A. de Pinto, Jhr. B. C. de Jonge, A. J Clant vak dek Mijll, B. H. M. Hanlo, S. M. S. de Ranitz en E. W. Guljé.

Het is niet noodig dat in het procesverbaal opgemaakt ter voldoening van art. 13, tweede lid, Straf oord. worde vermeld dat de aldaar bedoelde voorlezing heeft plaats gehad. Die voorlezing kan ook door andere bewijsmiddelen bewezen worden.

(Zie het bij dit arrest vernietigde arrest van het Hof te 's Hertogenbosch in W. no. 6246).

De proc.-gen. bij het Gerechtshof te 's Hertogenbosch, is req. van cassatie tegen een arrest van dat Gerechtshof van 5 Oct. 1892 waarbij, met vernietiging van een incidenteel vonnis van 18 Juni te voren en een eindvonnis van 23 Juni 1892, beide van de i rond.-Rechtbank te 's Hertogenbosch, de officier van justitie bij die Rechtbank is niet-ontvankelijk verklaard in zijne ter zake van daarby omschreven beleediging ingestelde vervolging tegen J. P. M. W., oud 25 jaren, boekhandelaar, geboren te Waalwijk en wonende te Grave, de kosten te dragen door den Staat.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Hanlo en de advocaat van den gerequireerde, Mr. J. A. Loeff, uit 's Hertogenboseb, de voorziening had bestreden, heeft de adv.-gen. Gregory de volgende conclusie genomen:

EJel Eo°9 Achtbare Heeren President en Raden ! De gereq werd voor de Rechtbank te 'o Hertogenbosch gedagvaard ter zake van beleediging. Ter terechtzitting beweerde zijn raadsman dat de officier van justitie met-ontvankelijk was in zijne vervolging omdat in het procesverbaal der ingediende klacht niet stond vermeld dat deze den klager was voorgelezen. De klacht namelijk was gedaan aan een brigadier der mare'chausse'e en deze had daarvan procesverbaal op den ambtseed opgemaakt. De Rechtbankevenwel verwerp dit middel van niet-ontvankelijkheid op grond „dat art. 13 Strafvord. wel voorschrijft, zelfs op straffe van nietigheid, dat bij een misdrijf alleen op klacht vervolgbaar, de mondelinge klacht, die door een ambtenaar wordt opgenomen, door dezen aan den klager zal worden voorgelezen: dat dit artikel echter niet bevat a van het doen van die voorlezing uit hel procesverbaal van die klacht zal moeten blijken en dus ook moet worden aangenomen dat die voorlezing ook van elders kan worden bewezen1\

Aan den Hoogen Raad wordt thans de vraag voorgelegd of deze beslissing juist is, dan wel die van het Hof, dat het tegenovergestelde gevoelen is toegedaan.

De gereq. door de Rechtbank veroordeeld, kwam in hooger beroep zoowel van het eindvonnis dd. 23 Juni jl. als van het incidenteel vonnis dd. 18 Juni bevorens, waarbij de Rechtbank het namens hem opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid had Verworpen. En nu vernietigde het Hof bij het beklaagde arrest zoowel het incidenteel als het eindvonnis, verklaarde het voorgestelde middel van niet-ontvaukelijkheid gegrond en den officier van justitie met-ontvankelijk in zijne vervolging en bracht de kosten van beide instantien ten laste van den Staat. Het Hof overwoog daarbij als volgt: „dat bij eene mondelinge klacht, op straffe van nietigheid is voorgeschreven, o. a. dat dezelve, na in schrift te zijn gesteld, moet worden voorgelezen, zoodat, waar niet blijkt dat deze formaliteit is in acht genomen, geen wettelijke klacht i aanwezig ,s en de officier van justitie tot vervolging der zooge- i naamde klachtdelicten, waartoe beleediging van niet-ambtenaren 1 behoort, geen recht heeft; dat deze vervolging een aanvang neemt ' met het doen beteekenen der dagvaarding en derhalve op dat > tijdstip eene aan de bepalingen der wet voldoende klacht moet 1 aanwezig zijn; dat derhalve de vraag: of het procesverbaal, waar- c bij de mondelinge klacht van den bekl. in schrift is gesteld, van j de voorlezing moet melding maken, of dat deze voorlezing van { elders en gedurende de behandeling van de zaak zelve kan worden £ bewezen ^ zooals de Rechtbank heeft overwogen — hare beantwoording vindt in bovenstaande overwegingen, waaruit resulteert t dat een procesverbaal, zonder die vermelding, geen aan de wet- \ telijke vereischten voldoende klacht inhoudt, welke klacht moet c aanwezig zijn vóórdat de officier van justitie tot de vervolging 1 bevoegd is" °

Tegen 's Hofs beslissing heeft de heer proc.-gen. zich in cas satie voorzien en bij zijne memorie als eenig middel van cassati aangevoerd : „schending van art. 266 Strafrecht, door verkeerd toepassing van de artt. 13, 153, 239 en 247 Strafvord".

, _te<lr terecht heeft, naar het mij voorkomt, de heer req. tegei s Hofs beslissing cassatie aangeteekend, al is het dan ook dat il mij niet met al de gronden, in de memorie aangevoerd, kan ver eenigen. Zoo kan ik het den heer req. moeilijk toegeven dat hiei eigenlijk eene schriftelijke klacht is ingediend. Want de vorm waarin de klacht ten deze is opgenomen, is die van een procesverbaal, door een daartoe bevoegden ambtenaar opgemaakt en nu moge het in het algemeen waar zijn, dat hij, die door een ander eene klacht doet opstellen en dit stuk daarna onderteekent eigenlijk eene ^schriftelijke klacht doet, naar de duidelijke bepaling"van art. 13 Strafvord. is dit in het daar besproken geval niet alzoo. Dat artikel toch eischt ook voor de mondelinge klacht de onderteekening van den klager. Die onderteekening geeft dus, volgens dat artikel, aan de klachte allerminst het karakter van schriftelijke klacht. Verder onderscheidt het artikel uitdrukkelijk de mondelinge van de schriftelijke klacht en zegt van eerstgenoemde, dat zij door den ambtenaar, die haar ontvangt, in geschrift moet worden gesteld. Waar men derhalve, zooals in casu, eene klacht aantreft, bij procesverbaal op den ambtseed door een brigadier der maréchaussees geconstateerd, daar is het m. i. niet twijfelachtig dat er alleen van eene mondelinge klacht sprake wezen kan. Voorts is de heer req. van oordeel dat uit dit procesverbaal, al wordt het niet expressis verbis, gezegd, voldoende blijkt dat de klacht aan den klager is voorgelezen en wel uit de woorden : Verder verklaart klager dat dit procesverbaal naar waarheid en" uiterlijk op zijn verlangen is opgemaakt".

Als grond voor zijne meening geeft de heer req. op dat „anders door den klager onmogelijk aan den ambtenaar had kunnen zijn verklaard dat de klacht de volledige waarheid bevatte", maar de klager had ook zelf het procesverbaal kunnen lezen vo'or dat het afgesloten werd en al kon nu deze door zelf te lezen evengoed met den inhoud van het procesverbaal bekend worden als door 'oorlezing, Zoo eischt niettemin de wet, op straffe van nietigheid lie voorlezing en moet het dus blijken dat deze heeft plaats gehad! Doch zooals ik zeide, wat de zaak zelve betreft, de bestrijding van sHofs beslissing, kan ik geheel met den heer req. medegaan. volkomen juist overweegt het Hof dat, waar bij een mondelinge tlacht niet blijkt dat zij den klager is voorgelezen, het Openb. Min. geen recht tot vervolgen heeft. Evenzeer dat die vervolging

I een aanvang neemt met het doen beteekenen der dagvaarding. Ook dat op dat tijdstip eene aan de bepalingen der wet voldoende klacht moet aanwezig zijn, maar nu gaat het Hof van den goeden weg af door namelijk uit deze de laatste s elling eene verkeerde conclusie te trekken. Want daaruit dat op het tijdstip van de beteekening der dagvaarding er eene behoorlijke klacht moet aanwezig zijn, volgt geenszins dat ook reeds dkn van het bestaan van zulk eene klacht het bewijs moet zijn geleverd. Op bedoeld tijdstip moet er eene klacht zijn die aan den klager is voorgelezen, maar nergens staat in de wet het verbod geschreven om het feit dier voorlezing ter terechtzitting bv. door de verklaring van den verbalisant en van den klager te bewijzen. Wat de wet wil en op straffe van nietigheid eischt, is dat er voorlezing zij geschied, maar zij laat zich niet in met de vraag hoe het feit dier voorlezing kan worden bewezen.

Ik heb mitsdien de eer te concludeeren dat de Hooge Raad het beklaagde arrest van het Gerechtshof te 's Hertogenbosch zal vernietigen en ten principale rechtdoende het voorgestelde middel van niet-ontvankelijkheid zal verklaren ongegrond en den officier van justitie ontvankelijk in zijne vervolging en de zaak zal terugwijzen naar dat Gerechtshof om met inachtneming van 's Hoogen Raads arrest, op het bestaande hooger beroep te worden berecht en afgedaan, de kosten in cassatie gevallen, te voegen bij die der einduitspraak.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie, luidende:

Schending van art. 266 Strafrecht door verkeerde toepassing van de artt. 13, 153, 239 en 247 Strafvord.;

Geboord den advocaat van den gereq.;

Overwegende dat van wege den gereq., voor de Arrond.-Rechtbank te 's Hertogenbosch gedagvaard ter zake van opzettelijke schriftelijke beleediging van I. v. L., voor die Rechtbank is opgeworpen eene exceptie van niet-ontvankelijkheid van den officier, „als zijnde in het procesverbaal der ingediende klachte niet vermeld, dat deze den klager is voorgelezen";

O. dat, na verwerping dezer exceptie bij incidenteel vonnis van 18 Juni 1892, de zaak ten principale voor de Rechtbank is behandeld, en daarin eea veroordeelend eindvonnis is gewezen on 23 Juni 1892; p

O. dat op het tegen deze vonnissen ingestelde hooger beroep, beide bij het bestreden arrest zijn vernietigd, het voorgestelde middel van niet ontvankelijkheid is verklaard gegrond, en de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijne vervolging-

dat de feitelijke grondslag van het middel van niet-ontvankelijkheid door het Hof als bewezen is aangenomen op grond : „dat in het ambtseedig procesverbaal van den brigadier der marechaussees, die de mondelinge klacht van den beleedigde, die geen ambtenaar is, heeft in schrift gebracht, ten gevolge waarvan deze vervolging is ingesteld, niet wordt vermeld, dat de klacht is voorgelezen" •

dat voorts ten aanzien van het recht door het Hof is overwogen en beslist: „dat bij eene mondelinge klachte op straffe van nietigheid is voorgeschreven, o. a., dat dezelve, na in schrifte te zijn gesteld, moet worden voorgelezen, zoodat waar niet blijkt dat deze formaliteit is in acht genomen, geen wettelijke klacht aanwezig is" ; verder dat „de vraag : of het procesverbaal, waarbij de mondelinge klacht van den beleedigde in schrift is gesteld, van de voorlezing melding moet maken", beantwoord moet worden in dezen zin :

„dat een procesverbaal zonder die vermelding geen aa& de wettelijke vereischten voldoende klacht inhoudt";

O. dat tot staving van het tegen deze beslissing gerichte middel is aangevoerd: eensdeels, dat, zoo al de overgelegde klacht niet als eene geldige mondelinge klacht kan worden aangemerkt, zij in ieder geval voldoet aan de vereischten voor eene schriftelijke klacht, waarbij van geen voorlezing behoeft te blijken en voor welke het voldoende is dat zij in geschrift gesteld zij, onverschillig door wien, en door den klager onderteekend zij, welk laatste met de hier aanwezige klacht het geval is; anderdeels, dat in de klacht wordt gezegd : „verder verklaart klager dat dit procesverbaal naar waarheid en uiterlijk op zijn verlangen is opgemaakt''1; uit welke woorden, volgens den req., kan worden afgeleid dat die klachte den klager moet zijn voorgelezen;

O. dienaangaande, dat art. 13 Strafvord. onderscheid maakt tusschen mondelinge en schriftelijke klachten; dat dat artikel wel voor beide soorten van klachten vordert dat ze door den klager of zijn gemachtigde worden onderteekend, doch voor de mondelinge bovendien eischt dat aan de onderteekening de voorlezing der in schrift^ gestelde klacht vooraf ga; dat, indien de bewering des req s. juist ware, het gebod van voorlezing vóór de onderteekening bij mondelinge klachten in art. 13, 2e lid, Strafvord. bedoeld, op straffe van nietigheid gegeven, geheel ijdel zou worden, daar dan de mondelinge klacht, b(j welke het verzuim van voorlezing had plaats gehad, toch altijd geldig zou zijn als eene schriftelijke, bedoeld bij het 3e lid van hetzelfde artikel, van welke klacht in het geheel geene voorlezing noodig is ;

O. dat bij 's Hofs beslissing, dat in het procesverbaal, opgemaakt door den beambte die de meergenoemde klacht in geschrift heeft gesteld, niet wordt vermeld dat zij is voorgelezen, welke beslissing, als betreffende de uitlegging van den inhoud van dat procesverbaal, is van zuiver feitelijken aard, de Hooge Raad in cassatie niet kan treden in een onderzoek of de eene of andere laarin voorkomende uitdrukking, zooals bv. die door den req. langehaald en hierboven vermeld, tot eene andere opvatting kan leiden;

u. mitsdien, dat de tot staving van het middel van cassatie door den req. aangevoerde gronden, niet zijn aannemelijk;

dat echter het middel zelf, inzoover daarbij wordt beweerd verkeerde toepassing van art. 13 Strafvord., is gegrond;

dat immers wel het tweede in verband met het vierde lid van dit artikel op straffe van nietigheid bepaalt, onder meer, dat de mondelinge klachte door den ambtenaar die haar ontvangt, in geschrift gesteld, aan den klager moet worden voorgelezen, maar ] dat deze voorlezing, vermits dit door de wet niet is uitgesloten, ook door andere bewijsmiddelen dan het van het indienen der klachte opgemaakte procesverbaal kan worden bewezen, zoodat op die wijze van de geldigheid der klachte kan blijken voordat het l, onderzoek omtrent de strafzaak wordt aangevangen ;

O. dat alzoo niet, veelmin op Btraffe van nietigheid, is voorgeschreven dat het procesverbaal, van het indienen der mondelinge klacht opgemaakt, moet vermelden dat zoodanige voorlezing heeft plaats gehad;

dat mitsdien bij het incidenteel vonnis der Rechtbank terecht is verworpen de voorgestelde exceptie, waaraan ten grondslag lag beweerde nietigheid van de in geschrift gebrachte klacht, niet omdat zij niet zoude zijn voorgelezen, maar alleen omdat het van de

klachte opgemaakte verbaal van deze voorlezing geen melding maakt, terwijl het Hof ten onrechte alleen op dezen grond den officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijne vervolging • Vernietigt het arrest door het Gerechtshof te 's Hertogenbosch op 5 Oct. 1892 in deze zaak gewezen;

Uit kracht van art. 105 R. O. recht doende ten principale op

Sluiten