Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene geheele herziening der onteigeningewetgeving, zonder de zaak te vertragen en aan het verwijt van een verkeerd gebruik van het recht van initiatief nieuw voedsel te geven. Evenmin kan hij er toe besluiten het ontwerp te verminken, door de meest bestreden onderdeelen weg te laten. In zijn geheel belichaamt dit ontwerp economische beginselen van verre strekking voor de geheele ontwikkeling onzer maatschappij. Vooreerst wordt den eigenaar het jus non utendi ontnomen, onder niet gebruik ook verstaande belemmering van een voor de maatschappij meer productief gebruik. Ten anderen wordt het denkbeeld verwezenlijkt, dat de grondrente (in economischen zin genomen) een element bij de verdeeling der rijkdommen is, naar welks vermindering de wetgeving mag en moet streven. En eindelijk verwezenlijkt de wetgever het beginsel, dat waar door verandering der bestemming van een stuk grond voordeel te behalen valt, dit voordeel behoort ten deel te vallen aan hem, die de verandering tot stand brengt. De tegenwoordige wetgeving laat ten onrechte toe, dat de eigenaar den bodem aan nuttig gebruik onttrekt of onthoudt. Zijne weigering om daaraan de bestemming te geven, welke het grootste voordeel voor de maatschappij doet verwachten, wordt thans ten onrechte door de wet geeerbiedigd ; zij bewerkt, dat den eigenaar een deel van het maatschappelijk inkomen wordt toegekend, tot welks vorming hij op geenerlei wijze medewerkte. Zij maakt ten onrechte de actieve economische krachten cijnsbaar aan hen, die door toeval of speculatie zich in het bezit bevindt van gronden, welke noodig zijn ter uitbreiding van steden en dorpen, ter vestiging van nieuwe industrieele inrichtingen, of ondernemingen van allerlei aard, welke voor de maatschappij welvaart beloven.

Aan deze beginselen en denkbeelden, met inachtneming der billijkheid door overgangsbepalingen bij de eerste invoering, eene plaats in de wetgeving te verzekeren, is het doel van het voorstel niet om eenige fout in de onteigeningswet te verbeteren of eenige onzekerheid in hare toepassing te doen ophouden.

Nog zij opgemerkt, dat over de gevolgen der invoering dezer nieuwe beginselen slechts in dien zin strijd kan be3taan, dat de een er in sterker mate gunstigen invloed van verwacht dan de ander. Nadeel is er in geen geval van te vreezen. "Wel wordt er hier en daar in het Voorloopig Verslag op mogelijke schadelijke gevolgen gewezen, maar inderdaad zijn de gronden, waarop dit geschiedt, gezocht en onhoudbaar. Welk nadeel zou er b. v. aan verbonden zijn, wanneer fabrikanten door het ontwerp in staat gesteld werden, om den grond in de nabijheid hunner inrichtingen tot een redelijken prijs in bezit te krijgen en hunne werklieden in gebruik van gezonde woningen met tuinen in de nabijheid der werkplaatsen te verzekeren ? De industrieel zal daardoor een middel te meer hebben, om hen aan zijne onderneming te binden. Daartoe echter strekt in het wezen der zaak alles, wat den werkman het leven veraangenaamt en hem tegen kwade kansen beschermt. Om de werklieden van den werkhuurder afhankelijk te maken zou verandering van werkplaats met positief nadeel gepaard gaan, waartoe de verschaffing van woning in een huis van den werkhuurder op zich zelf geen aanleiding geeft.

Zoo mogelijk nog verder gezocht is de bedenking, dat de moeilijkheid van het bewijs van uitgaven ter waardevermeerdering, volgens art. 7, 6, 3°. noodig om eene hoogere som dan de door de gewone vermenigvuldiging verkregene als schadeloosstelling te kunnen vragen, van het aanwenden van kosten aan den grond zou kunnen terughouden. Van het oprichten of verbeteren van gebouwen is het bewijs steeds gemakkelijk te leveren, en wat ongebouwde eigendommen aangaat steunt de schatting voor de grondbelasting op eene classificatie, die een vasten grondslag oplevert voor de vergelijking met den toestand waarin het goed zich bij eventueele onteigening bevindt.

(De toelichting der artikelen in ons volgend nummer).

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE.

Tweede Kamer.

Zitting van den 26 Januari 1893.

Voorzitter, Mr. II. W. de Graaf.

Raadsheeren, Mrs.: J. C. J. Ridder van Rafpard, Jhr. D. G. van Teylingen, H. van Manen, C. H. Star Busmann en W. van der Kaay.

Is de inhoud van het ten processe bedoelde geschrift beleedigend voor 11. M. de Koningin- Weduwe, Regentes der Nederlanden ? — Ja.

Hebben de beklaagden het geschrift verspreid met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven i — Ja.

(Zie het arrest van den Hoogen Raad dd. 28 November 1892 in W. no. 6278).

I. K. K. Pz., volgens zijne opgave oud 23 jaren, geboren te Wormerveer, wonende te Amsterdam, van beroep letterzetter,

II. A. G. Az., volgens zijne opgave oud 26 jaren, geboren te Roozenburg, wonende te Amsterdam, van beroep letterzetter, appellanten van een vonnis, op den 9 Juni 1892 door de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam te hunnen laste gewezen, verschijnende in persoon,

en

de officier van justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam, voor wien ten deze optreedt de procureur-generaal bij dit Gerechtshof, geintimeerde,

en tusschen

den officier van justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam, voornoemd, appellant van hetzelfde vonnis, vertegenwoordigd als voren,

en

I. K. K. Pz., en

II. A. G. Az., voornoemd, geintimeerden.

Het Hof enz.,

Gezien het arrest van den Hoogen Raad der Nederlanden dd. 28 Nov. 1892 waarbij deze zaak naar dit Hof is verwezen, ten einde op het bestaand hooger beroep te worden berecht en afgedaan ;

Gezien het vonnis, in eersten aanleg gewezen houdende enz.; Gehoord het rapport van den raadsheer Jhr. Mr. van Teylingen ; Gehoord de beklaagden, appellanten en geintimeerden, zoo in hunne antwoorden als in de middelen van verdediging door hen aangevoerd ;

Gehoord den adv.-gen. Mr. Telders, namens den proc.-gen. in zijn requisitoir strekkende: dat het Hof het vonnis van den eersten rechter zal vernietigen en op nieuw rechtdoende hen zal vrijspreken van het bij dagvaarding ten laste gelegde, dat zij te zamen het misdrijf gepleegd zouden hebben, hen schuldig verklaren aan het verspreiden van geschriften waarin eene beleediging voorkomt voor de Koningin en de Regentes met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven en ieder veroordeelen tot gevangenisstraf van 3 maanden, met veroordeeling van beklaagden in alle kosten, elk voor de helft, verhaalbaar bij lijfsdwang voor een tijd door den Hove te bepalen, en last tot vernieling van de geschriften waarmede 't misdrijf gepleegd is ;

Alle formaliteiten bij de wet voorgeschreven in acht genomen zijnde;

Overwegende dat de eerste rechter, in zijn hierboven vermeld vonnis, de beslissing dat de beklaagden — gelijk hun was ten laste gelegd — het geschrift hebben verspreid, met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid er van te vermeerderen, niet naar eisch der wet met redenen heeft omkleed en daardoor geschonden heeft de artt. 211 en 221 Strafvord., in verband met art. 113 Strafrecht, weshalve het vonnis moet worden vernietigd en de zaak op nieuw moet worden berecht en afgedaan •

O. dat de beklaagden zijn gedagvaard ter zake: dat zij te Amsterdam op den 22 April 1892 bij gelegenheid van het bezoek van de Koningin Weduwe, Regentes der Nederlanden en van de Koningin der Nederlanden aan die stad, in de ICalverstraat en in den omtrek daarvan te zamen aan de voorbijgangers afgegeven en zoodoende verspreid hebben een aantal exemplaren van een geschrift in den vorm van een strooibiljet waarin beleedigingen voorkomen voor de Koningin Weduwe, Regentes der Nederlanden en voor de Koningin der Nederlanden met het oogmerk om aan dien beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid er van te vermeerderen, zijnde dit geschrift, gekleed in den vorm van een toespraak, welke de Koningin Weduwe Regentes wel niet houdt in werkelijkheid, maar welke zij behoorde te houden, wanneer zij naar het oordeel der stellers deed wat betaamde, van den volgenden inhoud :

„Aan Amstels Burgerij".

Weder is de tijd gekomen dat ik, bij de gratie Gods Koningin Regentes der Nederlanden, eenige dagen ir. Uw midden zal doorbrengen. Wederom zal ik het moeten ondervinden dat een domme massa volks, zich zelf vergetende, mij en mijn kind, mensehen van gelijke beweging als gij zelf, trachten te vergoden, door gejuich en hoera geroep.

Wederom zal ik moeten ondervinden de huichelachtige vriendelijkheid waarmede de autoriteiten dezer stad mij zullen ontvangen. Welnu, ik heb besloten mij te onttrekken aan al die vereering, mij te onttrekken aan al dien huichel, waarmede men m\j omringt, omdat mijn plicht als mensch mij verbiedt zulks van mijn mede natuurgenooten te aanvaarden. Want het volk weet niet waarom het juicht, het volk weet niet waarom het jubelt.

Wist het volk dat ik ten koste van allen een weelderig leven leid, dat alleen voor het speelgoed van mijn kind meer geld wordt besteed dan vele arbeidersgezinnen te zamen per jaar inkomen hebben, dat er feesten ten hove worden gehouden, waarbij de wijn niet wordt vergeten, terwijl duizenden arbeiders met al hun zwoegen, met al hun werken, niet eens zooveel verdienen dat zij in de behoeften van zich en hun gezin kunnen voorzien.

Wist het volk dit alles, het zou niet juichen, het zou niet jubelen.

Wist het volk dat ik een inkomen uit 's lands kas geniet van ruim een milioen gulden per jaar, buiten mijn privaatvermogen en dat ik onder het masker van medelijden vijftien honderd gulden heb gegeven aan de noodlijdenden te Beets in Friesland, waar de armoede zoodanige hoogte heeft bereikt, dat het mijn plicht was geweest vijftien duizend gulden uit mijn overvloed te geven. Wist en begreep het volk dit alles, het zou niet juichen, het zou niet jubelen.

Wist het volk dat ik en mijn onnoozel kind als marionetten worden gebruikt door de geldmannen, in wiens naam zij hunne wetten maken en uitvoeren, alleen in hun belang, terwijl in het waarachtig belang der arbeiders en arbeidsters in het algemeen niets wordt gedaan. Wist en overwoog het volk dit alles, het kon niet juichen, het kon niet jubelen.

Mede Arbeiders en Arbeidsters !

Zoo moest, zoo betaamde het den Vorsten te spreken, maar helaas, de klasse der kapitalisten met al haar aanhang zal niet van haar vermeende rechten afstand doen, tenzij zij daartoe worden gedwongen ; daarom roepen wij u toe: vereenigt u, organiseert u met ons, opdat wij eenmaal door gezamenlijk optreden een einde aan al deze mistoestanden kunnen maken, tot verkrijging van een menschwaardig bestaan voor allen.

Daarom kan het u niet verwonderen dat velen onzer met bovenstaande toestanden voor oogen, de klasse der kapitalisten toeroepen :

„Wij hebben u lang genoeg bemind ;

„Thans willen wij u nog haten".

Namens de gecombineerde vakvereenigingen.

O. dat beklaagden, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep, ieder voor zich hebben bekend, dat zij te Amsterdam op den 22 April 1892, bij gelegenheid van het bezoek van de KoninginWeduwe, Regentes der Nederlanden en van de Koningin der Nederlanden aan die siad, in de Kalverstraat en in den omtrek daarvan, te zamen aan de voorbijgangers afgegeven en zoodoende verspreid hebben een aantal der reeds den vorigen avond in het gebouw „Constantia" te Amsterdam voor ieder verkrijgbaar gestelde exemplaren van het strooibiljet, waarvan de inhoud in de dagvaarding vermeld staat en dat geheel gelijk was aan het hun ter terechtzitting vertoonde en aldaar in hooger beroep voorgelezen exemplaar; dat een gedeelte van die strooibiljetten nog in hun bezit waren toen zij naar het politiebureau werden gebracht en dat die ten getale van ongeveer 50 aldaar zijn in beslag genomen, welke bekentenissen ieder afzonderlijk worden bevestigd door en overeenstemmen met de verklaringen der in eersten aanleg onder eede gehoorde getuigen:

1°. D. A. S., postbeambte, dat hij op den 22 April 1892 in de Kalverstraat te Amsterdam zijnde, de beide beklaagden te zamen geschriften in den vorm van een strooibiljet aan de voorbijgangers heeft zien afgeven, waarvan de inhoud gelijkluidend was aan het ter terechtzitting aanwezige hem vertoonde strooibiljet;

dat in dienzelfden tijd het bezoek der Koninginnen in Amsterdam plaats had, dat hij den 2en getuige met het ronddeelen door beklaagden in kennis gesteld hebbende, met dezen de beklaagden, die nog steeds voortgingen met de voormelde geschriften te verspreiden, naar het politiebureau heeft gebracht, alwaar hij bij ieder hunner een SOtal gelijksoortige geschriften heeft aangetroffen ;

2°. C. L., politieagent, dat hij op tijd en plaats voormeld, beklaagden te zamen geschriften aan de voorbijgangers heeft zien afgeven; dat hij met den len getuige de beklaagden naar het

politiebureau heeft gebracht en aldaar bij ieder hunner een 50tal strooibiljetten heeft gevonden, die overeenkwamen met degene, die zij bezig waren te verspreiden, en welke hij in beslag heeft genomen;

O. dat mitsdien door de bekentenissen van de beklaagden ieder voor zich, en zonder dat de bekentenis van den een heeft gestrekt tot bewijs tegen den ander, bevestigd door de voormelde getuigenverklaringen, wettig en overtuigend is bewezen, dat de beklaagden te zamen in Amsterdam op tijd en plaats en bij gelegenheid in de dagvaarding vermeld, hebben verspreid een aantal exemplaren van het aldaar omschreven geschrift;

O. ten aanzien van den ten laste gelegden beleedigenden inhoud van het geschrift;

dat deze inhoud in zijn geheel genomen reeds beleedigend is voor Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes der Nederlanden, omdat Haar verweten wordt, dat door Haar niet dikt gezegd of gesproken is wat Haar betaamde te zeggen of te spreken, maar dat bovendien Haar wordt ten laste gelegd, dat zij medelijden huichelt, waar zij het niet bezit, en in Haren plicht te kort schiet door f 1500 in plaats van f 15000 ten behoeve der armen te Beets af te staan, waardoor eveneens Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes der Nederlanden wordt beleedigd;

0. dat, terwijl alzoo naar het oordeel van het Hof vaststaat, dat in de geschriften, die verspreid werden beleedigingen voorkomen voor de Regentes, alsnn nog moet worden onderzocht of de beklaagden de geschriften hebben verspreid met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen ;

dat beklaagden ieder voor zich in hooger beroep hebben erkend, dat zij de geschriften, die zij den vorigen avond in ontvang genomen hadden in de koffiekamer van het gehouw „Constantia" te Amsterdam, vanwaar zij ze medegenomen hebben om ze gezamenlijk zoowel door aanplakking als door uitdeeling algemeen bekend te maken, te voren hebben gelezen, zoodat zij den inhoud kenden, dat zij voor dat ronddeelen geen geld ontvingen, maar het uit eigen beweging en in hunnen vrijen tijd deden, gelijk ze wel meer dergelijke biljetten pleegden te verspreiden ;

dat het hunne bedoeling was dat er critiek werd uitgeoefend op het kleine bedrag dat door de Koningin-Weduwe Regentes was uitgedeeld en dat het volk afgebracht werd van de heerschende begrippen omtrent het Koningschap, alsmede dat zij wilden trachten te voorkomen, dat, zooals gewoonlijk geschiedt bij de komst der vorstelijke personen, zou worden gejuicht en gejubeld — en eindelijk, dat zij reeds den vorigen avond door de politie gewaarschuwd waren om die geschriften niet te verspreiden ;

dat met die erkentenissen voor oogen en met de wetenschap dat beklaagden opgeven te zijn personen van ongeveer 23 en 26 jaren, in eene stad als Amsterdam zich ophoudende, een beroep uitoefenende als dat van letterzetter, hetwelk hen voortdurend in aanraking brengt met geschriften, terwijl zij blijkens hunne antwoorden, naar het oordeel van het Hof zijn personen van voldoende ontwikkeling, den Hove hunne verdediging onaannemelijk voorkomt, dat zij in de verspreiding geen kwaad zagen, omdat naar hunne opvatting het geschrift (hetwelk, gelijk reeds hierboven werd overwogen, naar 's Hofs oordeel, zoo in zijn geheel genomen als in bijzonderheden beschouwd, beleedigend is) niets beleedigends voor de bedoelde vorstelijke personen zoude inhouden, maar dat integendeel moet worden aangenomen, op grond van het bovenstaande en zonder dat de erkentenis of opgave van den eenen beklaagde, heeft gestrekt ten nadeele van den ander, dat zij de geschriften hebben verspreid met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven ;

O. dat mitsdien door de bewijsmiddelen als hierboven is uiteengezet, wettig en overtuigend zijn bewezen de feiten aan de beklaagden bij dagvaarding ten laste gelegd, alsmede hunne schuld daaraan, met dien verstande, dat de inhoud van het bij dagvaarding vermeld geschrift niet beleedigend is voor de Koningin deiNederlanden en dat door het als bewezen aangenomene aangaande het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven, vervallen is de alternatieve ten lastelegging als zoude de verspreiding geschied zijn om de ruchtbaarheid van den beleedigenden inhoud te vermeerderen;

O. dat de bewezen feiten opleveren het misdrijf van : „het verspreiden van geschriften waarin beleedigingen voorkomen voor de Regentes met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven, door de beide beklaagden te zamen gepleegd" ;

Toepassende de artt. 113 en 10 Strafrecht;

Gelet op de artt. 239, in verband tot 214, 215, 219, 247 en 249 Strafvord. ;

Rechtdoende op het hooger beroep;

Vernietigt het vonnis waarvan is geappelleerd ;

En op nieuw rechtdoende:

Verklaart de beklaagden, appellanten en geintimeerden schuldig aan het misdrijf hierboven omschreven;

Veroordeelt hen te dezer zake ieder tot gevangenisstraf voor den tijd van 3 maanden ;

Verwijst hen hoofdelijk in de kosten zoowel in eersten aanleg bij Rechtbank en Hof te Amsterdam, als in hooger beroep voor dit Hof, alsmede in cassatie gevallen ;

Verklaart deze veroordeeling uitvoerbaar ook bij lijfsdwang, met uitzondering van die in cassatie gevallen ;

Bepaalt den langsten duur van den lijfsdwang op 3 dagen ;

Beveelt dat de voorwerpen welke als stukken van overtuiging hebben gediend zullen worden vernietigd.

AR RONDI8SE MENT8- RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROTTERDAM. Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 7 Januari 1893.

Voorzitter, Mr. J. van Heukelom.

Rechters, Mrs.: Th. J. Hoppe en B. J. A. Sterck. Subst.-Officier van Justitie, Mr. H. J. H. Modderman. Rijks-advocaat, Mr. E. E. van Raalte.

SunlIGHÏ-ZEEP.

Is Sunlight-zeep geparfumeerde zeep ? — Neen.

De Rechtbank enz.,

Gezien de dagvaarding, den gedaagde beieekend en inhoudende vermelding van het feit met de omstandigheden, hem ten laste gelegd

Sluiten