Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is deze studie eene doorloopende bestrijding van het boek van Prof. Naber. De heer Boer gaat hiervan uit, dat „de strijd tusschen het positief en het negatief stelsel van openbaarheid der „verkrijging van zakelijk recht op onroerend goed is in hoofdzaak „een strijd tusschen een Germaansch en een Romeinsch rechts„beginsel". Hem wil het voorkomen, maar daarvan zal in Augustus e. k. te Utrecht iets meer moeten blijken dan zijne verzekering bewijst, dat „overal waar die strijd werd gevoerd, het kamp der „tegenstanders van een positief' — het Duitsche of het Australische — „stelsel gevormd (wordt) door het gros der juristen1'. Dit verschijnsel vindt volgens onzen schrijver „zijne verklaring in „de wijze van opleiding der juristen in de meeste beschaafde landen", eene opleiding, die tot grondslag heeft de studie van het Romeinsche recht. „Met die studie" — de voorstelling is naar onze overtuiging niet vrij van overdrijving — „wordt"" — ook de Nederlandsche jurist — „tevens gedrenkt met Romeinschjuridische „begrippen, zoodat hij bij de beoefening van het hedendaagsche „recht alles ziet door een Romeinschen bril". Tot die „Romeinschjuridische begrippen" behoort „het Romeinsche rechtsbeginsel, dat „het negatieve stelsel van verkrijging en bezwaring van onroerende „goederen beheerscht: nemo plus juris in alium transferre potest „quam ipse habet". Hoe eenvoudig en logisch dit klinke, nu die regel, met het oog op de eischen van het maatschappelijk verkeer, niet meer, althans niet meer in alle zijne gevolgen erkend wordt bij roerend goed (artt. 2014, 637, 1198, laatste lid, B. W.), is er geen reden om daaraan halsstarrig vast te houden bij de eigendomsoverdracht van onroerende goederen, de vestiging van zakelijke rechten daarop en den overgang van die rechten, indien de openbaarheid van den eigendom, zal zij eene waarheid zijn, het tegendeel vordert. Dat nu is naar het oordeel van den heer Boer wel degelijk het geval. De vervolgbaarheid van het zakelijk recht moet zijn beperkt tot de tweede hand (1), behalve in geval van kwade trouw (bl. 540), wie te goeder trouw krachtens geldige overeenkomst onder bezwarenden titel verwerft van den ingeschreven eigenaar, verkrijge door inschrijving een onomstootelijk zakelijk recht (bl. 542). Ziedaar den „fundamenteelen regel van het grondboekrecht", het absolute stelsel, maar ziedaar ook volgens den schrijver „de uitdrukking van het rechtsbewustzijn des volks".

Onze beschikbare ruimte laat niet toe te treden in eene verdere ontleding der studie van den heer Boer. De slotsom is, dat „niemand zich zal verwonderen" — wij allerminst, al heeft de heer Boer ons tot op dit oogenblik evenmin geheel gewonnen voor de door hem ontwikkelde denkbeelden als Prof. Naber voor de zijne — „dat (zijn) vertrouwen in de toekomst van het Tor ren s„stelsel versterkt is, nu het blijkt",— altijd volgens den schrijver — „dat zelfs een bestrijder als Mr. Naber geene steekhoudende argu„menten er tegen weet aan te voeren" (bl. 561). Ten slotte zij nog vermeld, dat de heer Boer evenmin als Mr. Treub (2) is ingenomen met de door den Utrechtschen hoogleeraar wenschelijk geachte wederinvoering van het Fransche stelsel van boekhouding op naam (bl. 566, 567).

„Superficies solo cedit" is de titel eener zeer uitgebreide verhandeling (bl. 445—493), waarmede deze aflevering wordt geopend door Mr. L. Ch. Besier. Is de in de woorden van den titel teruggegeven regel een ab sol u te, die slechts enkele door de wet zelve erkende uitzonderingen duldt? Met Opzoomer (3) tegen Diephuis (4) beantwoordt onze schrijver deze vraag in toestemmenden zin. „Zijn eindresultaat" is, dat „de regel superficies „solo cedit ook in ons recht geldt en wel als een absolute „regel, zoodat, behalve in de enkele gevallen, die de wet zelve „uitzondert, na 1838, eene z.g.n. communio pro diviso van den „grond en wat daaraan verbonden is niet meer kon ontstaan, en „dus ook niet als na 1838 in afwijking van art. 655/56 B. W. ontstaan kan aangevoerd worden". Het „eindresultaat" eener verhandeling vindt men in den regel eerst op de laatste bladzijde, wat eene wenschelijke spanning bij den lezer bevordert. Hier wordt het ons reeds medegedeeld op de dertiende van de 48 bladzijden, die het opstel inneemt, waaraan wij gaarne om al het belangrijke, dat het bevat, hulde brengen, maar waarin het niet gemakkelijk is — of ligt dit aan ons ? — zich te oriënteeren. Na mededeeling van „het eindresultaat" op bl. 458 vraagt de schrijver: „hoe verhoudt zich de Nederlandsche jurisprudentie tot deze quaestie"? Antwoord geven in verband met andere rechterlijke uitspraken 's Hoogen Raads hier aangehaalde arresten van 22 Dec. 1882, W. no. 4861 en 4 Sept. 1883 ( W. 4999), maar ook nog andere, wat de duidelijkheid van het overzicht niet bevordert, eerst later genoemde, bij name dat van 13 Febr. 1891 ( W, no. 5993), dat, trouwens niet voor het eerst, de mogelijkheid van den eigendom van verschillende verdiepingen van hetzelfde gebouw bij verschillende eigenaren aannam, op den in de volgende overwegingen breeder uitgewerkte, werkelijk zeer betwistbare stelling : „dat art. „626, le lid, waarop het in deze hoofdzakelijk aankomt (5), niet „bevat een beginsel, waarvan niet zou mogen worden afgeweken, „maar enkel een wettelijk vermoeden uitspreekt, waartegen, blijkens art. 1958 B. W., behalve in de daar uitgezonderde hier niet „aanwezige gevallen tegenbewijs is toegelaten".

Na de voorloopige bespreking van de Nederlandsche rechtspraak op bl. 458/59 staat de schrijver, bl. 459—465, stil bij deze twee vragen : „wanneer is de verbinding met den grond zoodanig, „dat van superficies sprake kan zijn? en aan wien komt de super„ticies ten goede"? Nu volgt in het overige, verreweg grootste gedeelte der verhandeling (bl. 465—492) het onderzoek, tot welke resultaten volgens schrijvers vooropgestelde beginselen de aan het hoofd van zijn opstel geplaatste regel in bijzondere gevallen leidt. Achtereenvolgens worden besproken de eigendom van afzonderlijke verdiepingen van één gebouw (bl. 465—472), de eigendom van torens, art. 6 add. der constitutie van 1798 (bl. 472), de servituutswerken, art. 735 B. W. (bl. 473—478), opstal (bl. 479—481), erfpacht (bl. 481, 482), vruchtgebruik (bl. 482, 483), beklemrecht (bl. 484), huur, eigendom van de nog onafgescheiden vruchten en van de op den verhuurden grond gestelde gebouwen (bl. 484—488), recht voortspruitende uit concessie in toepassing op de werken van tramlijnen, gas- en waterleidingen enz. (bl. 489—492). Tot besluit een paar bladzijden (492, 493) de lege Jerenda, hierop nederkomende, dat de artt. 655/56 B. W. moeten worden „omgezet" in vermoedens, waartegen tegenbewijs ware toegelaten, in den geest van art. 553 C. C.

Wij moeten het laten bij dit korte overzicht der verhandeling, waarvan wij de lectuur gerust durven aanbevelen aan allen, die een wetenschappelijk belang stellen in, of in de praktijk te doen krijgen met het door Mr. Besier behandelde onderwerp.

(1) Zie de aankondiging van het werk van Prof. Naber in W» no. 6289, noot 6.

(2) Wbl. voor Notaris-ambt en Registratief no. 1189.

(3) Ad art. 626, § 1, III, bl. 311 vgg.

(4) Systeem, VI, bl. 29 vgg.

(5) Dit reeds betwist Mr. Besier, die de sedes materiae vindt in art. 656 B. W.

Bij arrest van 's Hoogen Raads vacantiekamer van 1 Juli 1892 W, no. 6219, is verstaan, dat tegen de benoeming van een voogd of toezienden voogd door den kantonrechter alleen bij de rechtbank kan worden opgekomen, indien een ander is benoemd dan door de meerderheid der leden van de familie — stel 3 van de 4 — is aangewezen, zoodat de benoeming onaantastbaar is, indien bij staking van stemmen, benoemd is degene voor wien de helft der familie zich heeft verklaard, ja, zelfs indien de vier bloedverwanten of aangehuwden elk voor een ander hebben geadviseerd en een van deze vier benoemd is. Ons komt het voor, dat deze opvatting van art. 415 B. W. dat, in verband met art. 422, de vraag moet uitmaken, niet juist is. De tegenstelling tusschen het eerste en het tweede lid van art. 415 moet leiden tot de ook in de wordingsgeschiedenis van het artikel steun vindende conclusie, dat de benoeming alleen dadelijk van kracht is, indien de benoemde is de door de meerderheid — dat is, waar het tegendeel niet wordt gezegd, de volstrekte meerderheid (6) — aangewezene. Hebben de stemmen in den familieraad gestaakt of waren de stemmen zelfs over drie of vier candidaten verdeeld, dan is niet één dier candidaten „door de meerderheid" aangeduid, en verkeeren wij dus in het geval niet van het eerste, maar van het tweede lid van art. 415. De uitlegging van het artikel indezen zin werd op o. i. afdoende gronden verdedigd door Mr. P. van Bemmelen tegenover de leer van Diephuis en andere schrijvers. Het arrest van den Hoogen Raad wordt, ofschoon het den raadsheer, die het mede heeft gewezen, niet onbekend kon zijn, niet genoemd. Waarom niet? Het antwoord op deze vraag kunnen zij, die er belang in stellen, vinden op de laatste bladzijden (502—504) van het opstel over „art. 415 B. W.", waarmede de schrijver weinige weken voor zijn dood deze aflevering van het R, M, verrijkte. „Niet het belang dezer bijzondere quaestie, maar dat der methode „van wetsuitlegging" leidde den jurist, uit wiens pen zoo menig geleerd en diepzinnig betoog vloeide, tot het schrijven van deze korte en eenvoudige exegetische studie over „een onnoozel artikel", dat men slechts (heeft) te lezen om de gedachte des wetgevers, die er duidelijk in te voorschijn treedt, te vatten. „Uit dat „oogpunt konden vroegere of latere rechterlijke uitspraken, art. „415 betreffende, hier onvermeld blijven". Bovendien is de schrijver in het algemeen van oordeel, dat men „in juridische vertoo„gen aan rechterlijke uitspraken niet veel (heeft) en hare aan„haling gewoonlijk veilig (kan) worden weggelaten". Zij zijn volgens hem „geene bronnen van rechtsgeleerdheid en zij misken dan ook geheel het aan schrijvers van naam toegekend ge„zag". Merkwaardige verklaring in den mond van een hooggeplaatst magistraat. Merkwaardiger nog de gronden, daarvoor gegeven in de volgende woorden, die wij zonder commentaar overschrijven, zonder daarom geacht te willen worden hunne juistheid te erkennen : „Van de „„gelegentliche"" en wegens den vereisch„ten spoed overhaaste bestudeering eener quaestie en van de beraadslagingen? daarover in eene veelhoofdige raadkamer moet men „geene juridische vruchten wachten. Ook leent zich de samenstelling der arresten door een talrijk personeel, evenmin als de „traditioneele Unform der monophrase tot het leveren van goede „en voldoende juridische betoogen ; daargelaten nog de vereischte „en ten aanzien der rechts overwegingen gebruikelijke kort„heid".

Dit overzicht heeft de daarvoor gewoonlijk beschikbaar gestelde ruimte reeds ingenomen. Ten slotte kunnen wij dus alleen nog voor memorie vermelden eene belangrijke historische studie van Mr. W. Bezemer : Een en ander over hel Oud-Hollandsche naasiingsrecht (bl. 505—537) en het Exposé de la Jurisprudence /rangaise en matière de droit commercial international van den raadsheer E. Dramard (bl. 568—583, vervolg van R.Af,, VIII, bl. 577—591).

HOOGE RAAD. — BULLETIN.

(Burgerlijke Kamer.)

Zitting van Donderdag, 16 Februari.

Voorzitter, Mr. J. G. Kist.

I. Uitspraak gedaan in zake:

(cassatie) K. van Dort, eischer, advocaat Mr. I. M. Hijmans, tegen G. van Duinen, verweerder, advocaat Mr. C. J. Fran^ois. Verworpen.

II. Gepleit in zake:

(cassatie) J. F. S. Thieme, eischer, advocaat Mr. J. Limburg, tegen M. Daemen, verweerder, advocaat Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn. Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 3 Maart.

Zitting van Vrijdag, 17 Februari.

Voorzitter, Mr. J. G. Kist.

Uitgesteld tot 16 Maart, de pleidooien in zake:

(cassatie) A. F. Moris, weduwe W. A. A. van Aken, eischeresse, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen G. Wendelaar, W. Lakenman en de gezamenlijke erfgenamen van Jhr. Mr. D. van Akerlaken, verweerders, advocaat Jhr. Mr. E. N. de Brauw, en tegen P. J. van Aken, mede-verweerder, advocaat Mr. F. J. Munzebrock, en tegen M. D. Snoeck, mede-verweerder, advocaat Mr. L. V. van Rossem.

(Strafkamer.)

Maandagf 20 Februari,

Uitspraak. W. d. K., tegen een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Middelburg.

Id. H. S., tegen een vonnis van het Kantongerecht te Haarlem.

Id. De officier van justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Roermond, tegen een vonnis in zake J. P.

Concl. O. M. V, J. H., tegen een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch.

(Burgerl. kamer.)

Donderdag, 23 Februari,

Concl. O. M. E. Warnders, eischer, advocaat Mr. P. J. Snel, tegen T. Venema Az., als burgemeester van Sappemeer, verweerder, advocaat Jhr. Mr. E. N. ae Brauw.

Vrijdag, 24 Februari,

Uitspraak. H. Belgraver, eischer, advocaat Jhr. Mr. E. N. de

(6) Van vier is alleen drie, en kan zoomin twee als één de meerderheid zijn.

Brauw, tegen Mr. J. N. A. Bucaille, burgemeester van Groningen, verweerder, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein.

Id. J. Bossmann, eischer, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen H. N. H. Houtappel, verweerder, advocaat Mr. A. M. van Stipriaan Luïscius.

Concl. O. M. H. C. van Dijk, eischer, advocaat Mr. A. D. H. Quintus, tegen A. A. J. van Dooren, verweerder, advocaat Mr. J. G. S. Bevers.

Pleidooi. R. Zijlstra, eischer, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen het college van kerkvoogden der Hervormde Gemeente te IJtens (Hennaarderadeel), verweerder, advocaat Mr. W. Thorbecke.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

De Hooge Raad der Nederlanden heeft in zijne algemeene vergadering van den 17en Februari opgemaakt de volgende, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal verzonden aanbevelingslijst voor de vervulling der vacature, in den Raad ontstaan door het overlijden van den raadsheer van Bemmelen op den 19en December 1892:

1. Mr. A. M. van SUpriaan Luïscius, Deken van de Orde der advocaten bij den Hoogen Raad;

2. Jhr. Mr. S. Laman Trip, president der arrondissementsrechtbank te Zutphen ;

3. Mr. L. U. de Sitter, raadsheer in het Gerechtshof te Arnhem;

4. Mr. A. Telders, advocaat-generaal bij het Gerechtshof te 's Gravenhage;

5. Mr. J. J. van Geuns met het lot tegen Jhr. Mr. D. G. van Teylingen, beiden raadsheer in het Gerechtshof te 's Gravenhage ;

6. Mr. H. F. Baron de Koek, raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam.

BERICHTEN.

's-Gravenhage, 18 Februari.

De Nieuwe Rott. Courant bevatte onlangs (in haar nommer van 9 Febr. j 1., Tweede Blad A) een belangrijk hoofdartikel over „Wettelijke interesten". De schrijver van dit artikel, met volkomen instemming aanhalende een woord, door ons toegevoegd aan het in W. no. 6253 uit het Bijblad tot het Amsterdamsche Effectenblad overgedrukte betoog, vereenigt zich geheel met de ook door Mr. A. F. K. Hartogh in W, no. 6255 verdedigde stelling, dat de vaststelling van het bedrag van alle uit kracht der wet verschuldigde renten bij eene wetsbepaling, die in Nederland nu reeds sedert het begin dezer eeuw on veranderd geldt, is eene antiquiteit en eene enormiteit op juridisch en economisch gebied, waarmede men alléén vrede kan hebben, indien men zich de moeite niet geeft een oogenblik bedaard na te denken over hare practische — of, juister gezegd, hare onpractische — gevolgen. Verder is de N, R. Courant het ook eens met het Bijblad en met den heer Hartogh, dat art. 2 der wet van 22 Dec. 1857 (Stbl. no. 171) plaats moet raakea voor de instelling van „een gezag dat periodiek den gemiddelden rentevoet, dien men heeft te volgen, aanwijst".

De zaak verdient ten volle de aandachtige overweging van onzen Minister van Justitie.

De Vox Studiosorum geeft in een bijvoegsel van haar nommer van 16 Febr. jl. een sprekend portret van wijlen Mr. S. Sutro, dien wij in no. 6287 herdachten. Bij dat beeld is gevoegd „een „woord van dankbare herinnering aan een man, die het grootste „deel van zijn leven aan studenten heeft gewijd". Van hem wordt in dit studentenorgaan getuigd: „hij wist zich op dezelfde hoogte „te plaatsen als zijne niet altijd even bevattelijke leerlingen, wier „breede schare, thans in alle deelen van ons land verspreid, aan „hem een der elementen voor hunne tegenwoordige positie te „danken heeft en van wier erkentelijkheid hij nog herhaaldelijk de „blijken ontving". De auteur van dit bijschrift besluit aldus: „teder, die Mr. Sutro gekend heeft, zal mij toegeven, dat hij een „type was, een karakter; als zoodanig stak hij af tegen den effen „en wazigen achtergrond, waarin de meerderheid van de menschen „opgaat. Ook daardoor zal menigeen zich zijner nog lang herinneren"*

ADVERTENTIEN.

Prijsvermindering.

Mr. ü. S. va.n Emden, Wetboek van Strafrecht,

opgehelderd uit de gewisselde stukken en de gevoerde beraadslagingen. Vermeerderde uitgave in 32° (vroeger f4.75 ing., f5.15 geb.) is voortaan verkrijgbaar si f 2.10 ing., f 2,50 geb.

Van denzelfden schrijver zijn in hetzelfde formaat verschenen:

Burgerlijk Wetboek . . ing. f 2.10, geb. f 2.50 Koophandel ..." 1.50, » 3.90 Burgerlijke Rechtsvordering » 2,10, » 2.50

De Wetboeken (tekstuitgave) blijven afzonderlijk verkrijgbaar :

Burgerlijk Wetboek . . ing. f 0.90, geb. f 1.25 Koophandel ...» 0.65, " 0.90 Strafrecht » 0.80, n 1.10

Strafvordering ...» 0.65, « 0.90

GEBR. BELTNFANTE.

Snelpersdruk en Uitgave van GEBR. BELUSTE*ANTE, te 's Gravenhage

Sluiten