Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zullen worden vervangen door hechtenis voor den tijd van 1 maand voor elke boete en hoofdelijk in de kosten van het rechtsgeding, invorderbaar bij lijfsdwang gedurende ten hoogste 10 dagen;

Verklaart al wat den beklaagden meer dan 't hiervoren bewezen verklaarde is te laste gelegd onbewezen en spreekt hen daarvan vrij.

(Gepleit voor de beklaagden: Mr. J. P. A. N. Caroli en Mr. L. W. van Gigch).

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 7 April 1892.

Voorzitter, Mr. B. W. N. Servatius.

Rechters, Mrs.s C. W. de Vriese en L. D. W. Losecaat Vermeer.

De verwering tegen eene actie tot schadeloosstelling wegers verborgen gebrek, dat in de dagvaarding niet is gesteld aanwezigheid van het gebrek tijdens den verkoop, is geene verwering ten principale, maar eene exceptie van nietigheid van dagvaardingt die vóór alle andere weren moet worden opgeworpen.

De actie gegrond op art. 1540 B. W. kan niet worden ingesteld tot het verkrijgen van vrijwaring voor al hctgene de eischer aan eenen later en kooper ter zake van het verborgen gebrek zal hebben te betalen.

F. H. Elgersma, appellant, procureur Mr. C. A. Römer, tegen

G. Heerenga, geintimeerde, procureur Mr. P. J. Troelstra,

en

J. W. Wijnia, mede-geintimeerde, procureur Mr. C. A. Römer.

De Rechtbank enz.,

Wat de daadzaken aangaat:

Overwegende dat de app. bij conclusie van eisch in appel stelt: dat hij, app., van den eersten geint. op den 9en April 1891 op de veemarkt te Sneek heeft gekocht een zwartbonte koe voor de som van f 165. welke koe hij den 17en April d. a. v. op de veemarkt te Leeuwarden heeft verkocht aan den tweeden geint. voor f 125;

dat die koe den 18en April op den stal van Wijnia is gestorven als waarna bij opening bleek, dat die koe in hevige mate had geleden aan parelziekte (tuberculose) wat de oorzaak was van den dood

dat deze ziekte is een verborgen gebrek van het dier en dit gebrek hetzelve ongeschikt maakte tot het gebruik waartoe het bestemd was en waarvoor de verkooper gehouden is den kooper te vrijwaren ;

dat de laatste kooper (Wijnia) app. heeft gedagvaard om zich te hooren veroordeelen om te dier zake aan hem Wijnia terug te betalen de koopsom verminderd met f 25, zijnde de waarde van het gestorven dier, welke eisch door den kantonrechter te Leeuwarden is toegewezen ;

dat tegelijkertijd de app. den oorspronkelijken verkooper Heerenga (den eersten geint.) heeft gedagvaard om zich te hooren veroordeelen om hem app. te vrijwaren en schadeloos te stellen voor alle veroordeelingen, welke tegen hem ten behoeve van voornoemden Wijnia zouden mogen worden uitgesproken met de kosten die eischende als verwerende gemaakt z\jn, onverminderd alle andere rechten en actiën van den app. tegen dien geint., met zijne veroordeeling in de kosten dezer procedure;

dat app. had aangeboden in cas van ontkentenis zijne posita te bewijzen;

dat echter de kantonrechter dezen eisch tot vrijwaring heeft ontzegd en wel op grond dat de ged. in vrijwaring (de eerste geint.) niet gehouden was tot vrijwaring in den door den eischer in vrijwaring bedoelden zin ;

dat app. zich met de beslissing van den rechter a quo niet kan vereenigen en tempore utili daarvan is gekomen in hooger beroep en als gronden daarvoor aanvoert:

dat art. 1540 B. W. bepaalt de vrijwaring van verborgen gebreken van het verkochte goed door den verkooper jegens den kooper, welk beginsel nader bij de volgende artikelen wordt omschreven en wel in art. 1543 voor het geval het verkochte in rerum natura aanwezig is en in art. 1546 voor het geval het verkochte vergaan is;

dat nu, toen app. door Wijnia werd aangesproken tot terugbetaling van den koopprijs van een wegens aan een verborgen gebrek gestorven koe met de interessen (welke actie was gebaseerd op art. 1540 j°. art. 1546 B. W.) app. dus hetzelfde recht had, krachtens hetzelfde artikel, die koopsom met schaden, kosten en interessen te verhalen op den eersten geint., die hem app. moest vrijwaren;

dat, daar bij den beperkten termijn waaraan art. 1540 en vlgg. de actie bindt, eerst de veroordeeling — en dus de omvang der kosten, schaden en interessen — niet kon worden afgewacht, niet anders kon worden gedagvaard dan nu is geschied volgens de artt. 68 en vlgg. B. R. en door den eischer in vrijwaring moest worden gevraagd de veroordeeling van den ged. in vrijwaring om hem eischer te vrijwaren en schadeloos te stellen voor alle veroordeelingen fd. w. z. voor de gevolgen daarvan) |welke tegen hem ten behoeve van voornoemden Wijnia zouden mogen worden uitgesproken ;

dat deze opvatting ook gedeeld werd door den ged. in vrijwaring daar immers deze zich niet daartegen heeft verzet, doch alleen heeft beweerd de koe te hebben verkocht zonder tot vrijwaring gehouden te zijn ;

dat derhalve door app. niets meer noch minder gevraagd werd, dan waarop hij krachtens art. 1540, j°. art. 1546 recht had, nl. om gevrijwaard en schadeloos gesteld te worden, te meer, nu hij bleef binnen de grenzen der actie, die hij had kunnen instellen tegen zijnen verkooper Heerenga aan wien hij immers f 165 als koopsom had betaald;

dat app. ook nu aanbiedt zijne posita in prima en in hooger beroep gesteld te bewijzen door getuigen, deskundigen en alle middelen rechtens, voor zooverre ze in rechten zijn of worden ontkend;

Op welke gronden hij heeft geconcludeerd, gelijk hierboven is geinsereerd;

O. dat de geint. Heerenga bij conclusie van antwoord in hooger beroep hiertegen heeft aangevoerd dat hij wel is waar erkent op den 'J April 1891 eene zwartbonte koe aan den app. te hebben

verkocht voor f 165, doch ook nu, evenals in eersten aanleg, aan die erkentenis verbindt de mededeeling dat bij den koop is overeengekomen dat hij verkooper tot geene vrijwaring zou gehouden zijn en de onsplitsbaarheid dezer bekentenis ook nu staande houdt;

dat de app. noch in zijne oorspronkelijke dagvaarding en conclusie van eisch noch in de conclusie van eisch in appel heeft gesteld: dat het beweerde verborgen gebrek waaraan de door app. aan Wijnia verkochte en van geint. gekochte koe zou zijn overleden (feiten waaromtrent geint. zich niet kan uitlaten) op het oogenblik van den verkoop door xgeint. aan dat gebrek zou hebben geleden, terwijl hij evenmin in de oorspronkelijke dagvaarding heeft gesteld: dat de dood der koe van de beweerde parelziekte het direct of indirect gevolg is geweest;

dat dus de ingestelde actie ongegrond is en de kantonrechter,

zijne overwegingen daargelaten, terecht den eisch, tegen den geint. ingesteld, heeft ontzegd;

waarom hij heeft geconcludeerd, gelijk aan het hoofd dezes is geinsereerd;

O. dat de mede-geint. J. W. Wijnia bij conclusie van antwoord in appel heeft verklaard, dat hij zich refereert aan het oordeel der Rechtbank, des dat de door hem aangewende kosten worden gebracht ten laste van de in het ongelijk gestelde partij ;

O. dat bij conclusie van repliek door app. is opgemerkt, dat de nieuwe weer van den geint. Heerenga in hooger beroep niet kan opgaan 1°. omdat uit de posita der dagvaarding in onderling verband en samenhang voldoende blijkt, voornamelijk met het oog op den korten termijn gelegen tusschen den verkoop der koe door geint. (den 7en April) en den dood der koe (den 18en April d. a. v.) dat de parelziekte, waaraan die koe bleek in hooge mate geleden te hebben, moest hebben bestaan ook op den 7en April en de oorzaak was van den dood der koe, daar toch deze ziekte is een chronisch lijden ; 2°. omdat deze nieuwe weer is eene exceptieve verwering, welke afzonderlijk vóór of te gelijk met het antwoord ten principale had moeten worden voorgedragen;

O. dat de geint. Heerenga bij conclusie van dupliek hiertegen heeft opgemerkt, dat nu de genoemde twee feiten als onmisbare gronden voor den ingestelden eisch in de dagvaarding ontbreken, de eisch ongegrond is en dus moet worden ontzegd, dat de hierop gegronde verwering is eene verwering au fond en geene exceptieve die voor het antwoord ten principale had moeten zijn voorgedragen ;

O. dat hierop de zaak door partijen procureurs is bepleit en de stukken onder inventaris aan de Rechtbank ter beslissing zijn overgegeven ;

Wat het recht betreft:

0. dat in de eerste plaats behoort te worden onderzocht of de

nieuwe weer van aen geint. üeerenga dat de introductieve dagvaarding niet bevat de middelen van den eisch, voor het eerst in hooger beroep gedaan, al dan niet voor gedekt moet worden gehouden;

O. daaromtrent, dat de wet voorschrijft: 1°. op straffe van nietigheid dat de dagvaarding zal moeten behelzen de middelen van den eisch; 2°. dat indien ged. op de dagvaarding verschijnt en de nietigheid van het exploit niet inroept vóór alle weren en exceptien, dezelve voor gedekt wordt gehouden ;

O. dat de geint. met der daad niet opwerpt de exceptie van nietigheid van dagvaarding maar niettemin uit de wijze, waarop hij dit verweer voert ten onrechte wil betoogen, dat het oplevert eene verdediging ten principale, wat ook met de bedoeling van het middel in lijnrechten strijd zou zijn ;

0. dat onverschillig welk karakter de geint. zelf aan zijn middel van verweer toekent, hij dit middel in elk geval had moeten voorstellen vóór alle andere weren, bij gebreke waarvan het dus in casu in het geding ter eerste instantie voor gedekt moet worden gehouden;

O. dat dus art. 348 B. R. verbiedt deze nieuwe weer voor het eerst in hooger beroep in te brengen, waarom geen onderzoek naar de gegrondheid er van meer te pas komt;

0. verder, dat de kantonrechter zich de vraag stelt of uit de feiten, door den eischer in vrijwaring gesteld, aangenomen dat ze zijn bewezen, zoude volgen dat de ged. in vrijwaring verplicht zou zijn hem te vrijwaren in dien zin namelijk dat de ged. gehouden zou zijn hem terug te betalen zoodanige hoofdsom enz. tot voldoening waarvan eischer in vrijwaring mocht worden veroordeeld en terecht beslist dat die gehoudenheid tot vrijwaring niet uit overeenkomst zou zijn ontstaan en evenzeer terecht zich daarna de vraag stelt, of in casu de ged. volgens uitdrukkelijke wetsbepaling tot vrijwaring gehouden is en oordeelt dat hiervan geen sprake kan zijn omdat art. 1540 B. W. wel in de daar genoemde gevallen den verkooper verplicht den kooper te vrijwaren wegens verborgen gebreken, maar de omvang van die gehoudenheid bij art. 1543 nauwkeurig is omschreven en beperkt tot de daar genoemde gevallen welke vrijwaring is een geheel andere, dan die, welke volgens den eischer op den ged. zoude rusten; dat op grond van deze artikelen de verkooper niet gehouden is den kooper schadeloos te houden van actiën van latere koopers, uit welk standpunt in deze wordt geageerd — dat deze laatste verbintenis niet volgt uit art. 1543 en evenmin eenige andere wetsbepaling den ged. oplegt zoodanige gehoudenheid tot vrijwaring als door den eischer wordt gesteld en op deze gronden, dat de eisch tot vrijwaring als niet volgende uit de feiten, waarop de eischer dien grondt hem zijne vordering heeft ontzegd ;

0. dat deze beslissing is overeenkomstig de wet; dat toch de app. in eersten aanleg heeft geconcludeerd tot veroordeeling van Heerenga om hem te vrijwaren en schadeloos te stellen voor alle veroordeelingen welke tegen hem ten behoeve van Wijnia zouden mogen uitgesproken worden met de kosten, zoowel die eischende als verwerende gemaakt zijn, onverminderd alle andere rechten en actiën van den nu app. tegen Heerenga;

O. dat deze actie dus blijkbaar is eene geheel andere dan die, welke den kooper bij art. 1540 j°. art» 1546 is gegeven;

0. toch, dat die artikelen den app. uitsluitend het recht geven, om den door hem betaalden koopprijs terug te vorderen, welke vordering in casu niet wordt gedaan, maar toch uitdrukkelijk gereserveerd;

0. dat derhalve de app. iets anders en meer heeft gevraagd, dan waarop hij krachtens art. 1540 j°. art. 1546 recht had, en in gebreke is gebleven aan te toonen eenigen wettelijken grondslag voor zijne ingestelde vordering, waaruit volgt, dat app. met zijnen eisch niet ontvangen, niet aangenomen of toegelaten kan worden en derhalve in dien eisch niet-ontvankelijk is, waarom het vonnis van den kantonrechter, die den eisch heeft ontzegd, in plaats van dien niet-ontvankelijk te verklaren, te dien opzichte behoort te worden verbeterd;

0. dat de tweede geint. zich aan het oordeel der Rechtbank heeft gerefereerd;

Gezien de artt. 1540 en vlgg. B. W., 56, 68, 332 en 348 B. R.;

Rechtdoende enz.:

Vernietigt het vonnis a quo voor zooverre den oorspronkelijken eischer in vrijwaring, thans app., zijne vordering is ontzegd, en verklaart hem niet-ontvankelijk in die vordering;

Bevestigt het vonnis, waarvan hooger beroep, overigens in zijn geheel;

Veroordeelt den app. in de kosten van het hooger beroep.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij beschikking in raadkamer van het Gerechtshof te 's Gravenbage van den 27en Mei jl. is de deurwaarder bij dat college H. A. M. van Ginkel uit zijn ambt ontzet.

ADVERTENTIEN.

Bij GEBR. BELINFANTE, te VGravenhage, is thans compleet verschenen:

Het Wetboek

VAN

ZOOAI.S HET GEWIJZIGD IS DOOR DE

Wet van den I5en Januari 1886 (Stbl. n°. 5) en die van den I5en April 1886 (Stbl. n». 64)

MET TOELICHTING DIElt WIJZIGINGEN

uit de gewisselde stutten en gevoerde Beraadslagingen en eenige aanteekeningen,

DOOK

331. Zilleseix

Commies-Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Prijs: ing. f 4.50, geb. f 4.90.

Uitgaven GEBR. BELINFANTE, DEN HAAG.

Adviezen (Rechtsgeleerde) 10 deelen f 23.35

Almanak (Rijles- en Residentie-) voor het Koninkrijk der

Nederlanden 1893 ....... 4.—

Andriessen (O.) en H. J. van Lis, Het Nederlandsch Staatsdomein en zijn beheer toegelicht .... 4.90

Arntzenius (Mr. A. R.) Handelingen Grondwetsherziening, 10 deelen, geb. 75.—

Asscher (Mr. B. E.) en Mr. D. Simons, Het \Ye;b. van

Strafrecht vergeleken met den Code Pénal, ing. f 7, geb. 7.75 Asser (Mr. C.) Rechtspraak Burgerlijk Wetboek, met 4

supplementen door Mr. J. Rombach . . . 36.75 Asser (Mr. C. D.) en anderen. Wetboek van Koophandel. 2e druk 6.

Asser Jr. (Mr. C. D.) Het Internationaal Goederenvervoer langs de Spoorwegen 3.50

— De Bernsche Spoorwegconventie van 14 0ct. 1890 1.75

Asser (/'rof. Mr. T. M. C.) Scandinavische Wisselwet. 1.— Bartstra (S.) Wet Registratie, I en II 1—3 . . . 6.60 Bertling (A. E. J.) De Wet op de Vermogensbelasting 1.— Beth (.7. C.) Handboek voor dén Gemeente-Ontvanger . 2.— Boas (Mr. <S.)en M. Henr. Pimentel, Rechtspr. Verzekering 2.— Boer Hz. (.7.) Beginselen van het Torrensstelsel . . 1.50 Boomsma { W.) Bepalingen uit Ned. Wetb. enz. betrekkelijk de Gemeente-Administratie .... 1.50

Briedé (II. G. W.) De Patentwet 6.25

Burgerlijk Wetboek, volksuitgave, 5e dr., ing. f0.90, geb. 1.25 Caan (Jhr. Mr. J. J. de la Bassecour) Handleiding

Administratief Recht, 2 deelen. . . . 10.50

De Regeeringsvorm van Nederland van 1815 tot

heden, 3e druk ........ 2.80

Calisch (N. S.) De Grondwet van 1887 met alphabetisch

register 8° ........ 0.50

Citlers (Jhr. S. van) Verzameling van Handels- en

Scheepvaartovereenkomsten 5.40

Coninck Liefsting (Mr. F. B.) Algemeene Beginselen van de Leer der Regtsgeldigheid van verbindtenissen uit

overeenkomst ........ 6.—

Consulaire Voorschriften (Ned.). Consulair Reglement

met instructiën enz. (met aanhangsels) . . . 3.92" Cornets de Groot (Jhr. J. P.) Over het Beheer onzer

Koloniën ......... 3.75

Cramer (Mr. N.) Rechtspraak Fabriekwet . . , 1.—

Rechtspraak Begraafwet en Ziektenwet . . 1.25

Emden (Mr. D. S. van) Burgerlijk Wetboek (gewijzigd

tot November 1888), ing. f 2.10, geb. . . . 2.50

Wetboek van Koophandel (met de wijzigingen

tot November 1888), ing. f 1.50, geb. ... 1.90

Wetboek van Strafrecht, ing. f 2.10, geb. . 2.50

Engelen (Jhr. Mr. D. O.) Over individueelen en gemeen-

schappelijken eigendom aan arbeiderswoningen . 0.60

Feltz (Mr. G. W. van der) De Wapenwet . . . 0.50

Uitgaven van GEBR. BELTNFANTE, te's-Gravenhage.

Wen Tan Prof. 0PZ00MER.

Achterlijkheid in Kunst-Wetgeving, aangetoond in

die artt. der Grondwet, die aan het Onderwijs gewijd zijn. f 0.C0.

Scheiding van Kerk en Staat, f 1.20.

Losse Bladen, 3 dln. f 17, geb. f 20.

De Wijsbegeerte, den mensch met zichzelven verzoenende.

2e druk. f 0.60.

De gevoelsleer van Dr. J. J. van Oosterzee beoordeeld,

2 stukken, f 5.

Eenheid in het noodige, vrijheid in het twijfelachtige, in

alles de liefde, f 0.60.

Oratio de philosophiae natura. f 0.50.

Snelpersdruk en Uitgave van GEBR. BELINFANTE, te 's-Gravenhage.

Sluiten