Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn en de hiertoe betrekkelijke grief mitsdien feitelijk is ongefundeerd ;

0. dat voornoemde raadsman in de tweede plaats de nietigheid van het openbaar onderzoek des eersten rechters heeft gesteld, op grond, dat aan hem, raadsman, door den president hét woord is ontnomen, toen hij nader bepleitte de door hem opgeworpen exceptie van nietigheid der dagvaarding; dat intusschen uit het voormelde procesverbaal alleen blijkt, dat de president den raadsman heeft geïnterrumpeerd, toen deze trad in eene kritiek van het even te voren door de Rechtbank gewezen vonnis, houdende verwerping van bedoelde exceptie, terwijl volgens het procesverbaal de raadsman daarna zijn pleidooi heeft voortgezet; dat gevolgelijk onder deze omstandigheden van eene belemmering in of verhindering van het voeren van verdediging niet de rede kan zijn, en allerminst van het door den raadsman aan dat pretense feit vastgeknoopt rechtsgevolg ;

0. dat meergenoemde raadsman wijders voor den Hove tot vernietiging van hei vonnis a quo heeft geconcludeerd, op grond, dat daarbij geene uitspraak is gedaan omtrent het bij de introductieve dagvaarding aan den bekl. ten laste gelegde misdrijf van mishandeling;

0. dat deze bewering is ongegrond; dat immers bij gemelde dagvaarding aan bekl. wel feiten van gewelddadigheid zijn geimpnteerd, edoch, blijkens het geheele redeverband daarvan, enkel als elementen van de hoofdbeschuldiging, te weten diefstal vergezeld en gevolgd van geweld, geenszins echter als eene afzonderlijke telastelegging van een zelfstandig misdrijf van mishandeling ;

0. dat meergenoemde raadsman voorts voor het Hof heeft voorgedragen de exceptie van nietigheid der in eersten aanleg tegen den bekl. uitgebrachte dagvaarding, op grond, dat daarbij niet is in acht genomen de wettelijke termijn van 10 vrije dagen, hebbende bekl. daarvan geen afstand gedaan ;

0. echter dat, blijkens het in het dossier aanwezige afschriftvonnis, de Rechtbank, bij vonnis van 24 Nov. 1892 de voor haar door dezen raadsman op gelijken grond opgeworpen exceptie heeft verworpen ; dat nu noch de bekl., noch diens raadsman namens hem. van dit vonnis zijn gekomen in hooger beroep, en dit mitsdien door berusting kracht van gewijsde heeft bekomen, zoodat deze opnieuw in hooger beroep voorgestelde exceptie door het Hof moet worden voorbijgegaan ;

0. dat de raadsman van app. ten slotte voor het Hof heeft beweerd, dat geene veroordeeling, uit kracht van art. 312 Strafrecht, bij het vonnis a quo had mogen worden uitgesproken, omdat dit wetsartikel niet is opgenomen in het bevel van verwijzing;

O. dat dit beweren is onjuist; dat toch volgens art. 129, j art. 93 Strafvord., in de beschikking, houdende verwijzing naar de terechtzitting, wel moeten worden vermeld de artikelen der wet, waarbij het feit is strafbaar gesteld, doch dat op het verzuim daarvan geene straf van nietigheid is bedreigd, noch daaraan ergens in de wet het door den raadsman bijgebrachte gevolg is verbonden;

0. dat het Hof zich geheel met het vonnis a quo vereenigt ; Gezien, behalve de reeds aangehaalde wetsbepalingen, artt. 239, 246 en 247 Strafvord.;

Verwerpt de door beklaagdes raadsman, in voege voorschreven, voorgestelde nietigheid van het ter terechtzitting in eersten aanleg gehouden onderzoek ;

Passeert de door denzelfde, opnieuw voor den Hove, voorgedragen exceptie van nietigheid der in eersten aanleg tegen den bekl. uitgebrachte dagvaarding ;

Bekrachtigt het vonnis waarvan beroep ;

Veroordeelt den bekl. C. C. B. in de kosten van het rechtsgeding in hooger beroep, zoo noodig invorderbaar bij lijfsdwang van hoogstens 2 dagen.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM.

Tweede Kamer.

Zitting van den 12 April 1893.

Voorzitter, Mr. Ph. A. J. BotiviN.

Rechters, Mrs.: E. Feith en B. J. A. Sterck.

Heeft de eischer bewezen onverschuldigd betaald te hebben 1 — Neen.

M. Roos, wonende te Brussel, eischer, advocaat en procureur Mr. Jos. van Raalte,

tegen

W. Zuidmeer, koopman, wonende te Kralingen, gedaagde, advocaat en procureur Mr. M. Tels.

De Rechtbank enz. j . .

Gehoord partijen in hare conclusien en pleidooien;

Gezien de stukken van bet geding, alle voor zooveel noodig geregistreerd en daaronder meer bepaald : 1". eene quitantie van H. leS! deurwaarder te Rotterdam, dd. 2. Juni 1892 groot f H38 53' met eene daaraan toegevoegde specificatie; 2°. een exploit van den deurwaarder F. M. Lorwa, dd. 21 Juni 1892 ; »'• eene quitantie, luidende: „Ontvangen van den heer J. Roos, dusseldorf, de somma van f 9000 voor terugbetaling van door «ij voor gemeenschappelijk te drijven handel gestort bedrag en verklaar ik hierbij dat de zaken tusschen mij en genoemden heer ll°os afgeloopen zijn, en de heer Roos mij mets meer schuldig f> Rotterdam den 19en Febr. 1892, zegge f 9000, W. Zuidmeer", *• eene quitantie, luidende: „Empfangen von Herrn J. Roos, öusseldorf, auf Rechnung für noch zu kaufende Schafe die summe ^0li 20000 gulden in worten zwanzig tausend gulden, Rotterdam 18en Januar 1892, (w. g.) W. Zuidmeer „Empfangen von J. Roos, Dusseldorf die summe von 29264 gulden, sage !!e*a und zwanzig tausend neun hundert vier und zechsig gulden 8ammtliche schafe, welke ich bis zum 1 Februar 1892 nach aria versandt habe. Ferner auf Rechnung. Baar und in cheque fan gen 5000 gulden Fl. 5000 für noch zu kanfende und zu *efernde schafe. Kralingen den len Februari 1892. (w. g. W. ^idmeer)"; en 5°. een quitantie luidende : „Ich er klare von Herrn ^uidnieer erhalten zu haben 500 gulden züm decken der kosten ^nsereus gemeinschaftliches Unternehmens zu Conneuve, Lebonrgel bei Paris. M. Roos, Kralingen den 19en Februari 1892; ^■Opfangen von Hernn W. Zuidmeer, Kralingen, die summe von ^ • 1500 in worten funfzehn hundert gulden auf Rechnung für J^fende Ausgaben auf das Schlachthaus in Conneuve bei 1'ans. Kralingen 1 Febr. 1892, M. Soos"; zijnde de quitanties sub 4

en 5 omschreven in het geding gebracht bij afschrift door de procureurs van partijen voor copie conform geteekend ;

Overwegende dat de eischer feitelijk heeft gesteld, dat hij werkzaam in de zaak van zijnen vader J. Roos te Dusseldorf en namens dezen handelende sedert Sept. 1891, aldus met gedaagde handel heeft gedreven en speciaal verschillende zaken betreffende den koop en verkoop van schapen gedaan ; dat hij op den 21en Juni 1892 te Rotterdam wegens na te melden vordering ad f 1138.53", die gedaagde op hem beweerde te hebben, door den deurwaarder Felix met onmiddellijke voorloopige gijzeling bedreigd wordende, en zulks niettegenstaande hij dat bedrag aan ged. niet schuldig was, maar veeleer geld van dezen te vorderen had, ten einde de schande der gijzeling te ontgaan, aan dien deurwaarder, steeds optredende namens ged., gemelde som heeft betaald, doch onder uitdrukkelijk protest tegen elke verschuldigdheid en onder reserve zijner rechten ; dat die deurwaarder namens ged. handelende, hem eischer bij de storting dier gelden eene specificatie, getrokken uit documenten en de presidiale beschikking, waarvan hij voorzien was, ter hand stelde, welke luidt: „gegeven gelden op 6 Febr. 1892 f 1500 en 9 Febr. 1892 f 500 = f 2000 % verlies over gezonden schapen naar Parijs f 722.85 ; Va kosten op ledige kisten f 51 voor rekening en op last van UEd. door Zuidmeer gekochte en daarna eveneens op uw last voor uw rekening verkochte schapen, welke een verlies hebben opgebracht van f 316.61. Betaald aan Rijksveearts voor Fransche en Belgische gezondheidsattesten (de helft van f 96.15) f 48.07®, (te zamen) f 3138.53"." Hierop was in mindering betaald f 2000, rest f 1138.53', welke specificatie is geplaatst aan zijde van het ontvangbewijs hierboven sub 1 gemeld; dat eischer van te voren nimmer eene specificatie had ontvangen noch tot betaling van gemeld saldo was aangemaand ; dat hij die som niet verschuldigd is, zooals hij bij betaling heeft verklaard, en aan ged. bij exploit van 21 Juni jl. aan den deurwaarder F. M. Lorwa heeft herhaald (hierboven sub 2 gemeld) ;

0. dat de eischer alsnu vordert, dat ged. worde veroordeeld bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en bij lijfsdwang, om aan eischer tegen behoorlijk bewijs van ontvangst terug te geven de som van f 1138.53' door eischer aan ged., immers aan den namens hem optredenden en ontvangenden deurwaarder H. Felix te Rotterdam op 21 Juni 1892 onverschuldigd betaald, met renten en kosten onder reserve van eischer's recht op hetgeen hij bovendien van ged. te vorderen heeft;

0. dat eischer met een beroep op de quitantie van 19 Febr. 1892 (hierboven sub 3 afgeschreven) beweert, dat hij toen met ged. volkomen heeft afgerekend en geheel vereffend alle hunne toen bestaande geldelijke relatien, zoodat hij hem ged. toen niets meer verschuldigd was; dat daaruit zonneklaar blijkt, dat de door den deurwaarder Felix namens ged. van eischer gevorderde f1500 (begrepen in post no. 1 der specificatie) en die volgens de specificatie zouden bestaan in op 6 Febr. 1892 door ged. aan eischer gegeven gelden, door eischer niet verschuldigd waren, en dus door hem onverschuldigd betaald, terwijl de in bovenbedoelde specificatie afgetrokken f 2000 in zooverre juist zijn, dat door eischer aan ged. zijn gefourneerd op 17 Juni 1892 f 2000 ter nadere verrekening; dat derhalve het eindcijfer met die f 1500 moet worden verminderd en het dan blijkt dat eischer aan ged. niets, doch deze aan eischer wel geld schuldig is; en hij dus de op 21 Juni 1892 betaalde f 1138.53" onverschuldigd heeft betaald;

O. dat eischer aanvankelijk nog wel beweerd heeft, dat ook de in de specificatie voorkomende post van 9 Febr. 1892 f 500, op 19 Febr. 1892 niet verschuldigd was, doch na ged.'s opmerking, dat die post in de specificatie abusievelijk op 9 Febr. 1892 was gesteld en nadat ged. de daarop betrekkelijke quitantie hierboven sub 5 gemeld in het geding had gebracht, dit sustenu heeft laten varen ;

O. dat eischer voorts wel verklaard heeft de overige posten der specificatie niet te kunnen erkennen zonder eenige nadere waarmaking daarvan, doch zonder, zooals hij de actie wegens onverschuldigde betaling instellende, verplicht is, bewijzen aan te voeren, waaruit de onverschuldigdheid of onjuistheid ook van die posten zoude voortvloeien, zoodat die posten en hunne omschrijving, te meer daar zij door den ged. in de dingtalen nader toegelicht zijn geworden, moeten geacht worden juist te zijn;

O. alsnu, dat de ged. na toelichting van de verschillende posten van gemelde specificatie, daarbij opmerkende dat de deurwaarder Felix zich bij het opmaken dier specificatie heeft vergist ten aanzien van den datum van den post ad f 500 daar deze moet zijn niet 9 maar 19 Febr. 1892, heeft gesteld dat hij van het hem verschuldigde bedrag ad f 3138.53 met de'grootste moeite van eischer op 17 Juni 1892 f 2000 afbetaald kreeg, doch dat eischer telkens uitvluchten zocht om aan de betaling van het restant ad f 1138.53 te ontkomen, waarom ged. presidiaal verlof heeft verzocht en bekomen om eischer als vreemdeling bij voorbaat te gijzelen ; dat toen de deurwaarder Felix dit op 21 Juni zoude doen, eischer geen enkel woord van protest deed hooren, doch op de eerste aanmaning heeft betaald en alleen eene specificatie heeft verzocht, waarin die deurwaarder gemelde vergissing heeft begaan; dat eischer alzoo vrijwillig en nadat hem de vordering specifiek opgegeven was, heeft voldaan wat door hem verschuldigd was, de gespecificeerde quitantie te dezer zake na betaling heeft aangenomen en behouden en daarmede deze zaak is beeindigd ; dat bovendien zoo eischer zijne schuld wenschte te betwisten, hij of had kunnen vorderen, dat de deurwaarder hem tot den Voorzitter der Rechtbank bracht, of zekerheid had kunnen stellen ; en eischer alzoo in de ten deze ingestelde condictie niet-ontvankelijk is;

O. dat eischer tegenover deze door ged. opgeworpen niet-ontvankelijkheid zich er op beroepen heeft, dat hij als vreemdeling onbekend was met hetgeen hem te doen stond; dat hem echter de gelegenheid benomen is om zich voor het stellen van cautie tot zijne bankiers S. van Dantzig & Co. te Rotterdam te begeven, en dat hij in elk geval niet dan onder protest betaald heeft, subsidiair van een en ander getuigenbewijs aanbiedende;

O. dat de ged. echter speciaal ontkend heeft, dat op 19 Febr. 1892 tusschen hem en eischer finaal afgerekend zoude zijn, daar die quitantie alleen betreft toen afgeloopen zaken, waarvoor ged. eischer een belangrijk voorschot had verstrekt, maar niet zekere gemeenschappelijke onderneming, de oprichting van een slachthuis te Conneuve bij Parijs, toen in wording, waarop de op 6 en 19 Febr. 1892 gegeven gelden betrekking hebben; dat toch de oorsprong der quitantie is eene overeenkomst van partijen van Aug. 1891 om gemeenschappelijk in schapen te handelen; dat ged. ala fonds voor dien handel f 9000 zoude storten, welk bedrag met eene door den eischer te storten som zou worden gedeponeerd bij de firma S. van Dantzig & Co. ten name van eischer; dat ged. de schapen zou koopen en betalen en het door hem betaalde bedrag van eischer terug zon ontvangen per cheque op van Dantzig & Co.; dat na iedere handeling tusschen partyen afrekening plaats vond, zoodat het fonds van ged. b\j van Dantzig & Co. steeds weder tot f 9000 werd aangevuld; dat op 19 Febr. 189.2 deze betrekking ophield en partijen definitief afrekenden, doch alleen met betrekking tot hun gemeenschappelijken handel; dat mitsdien aan ged. zyn voor dien handel gestort bedrag teruggegeven moest worden, heigeen gebeurd is ; da,t ged toen de door

eischer verstrekte quitanties terug gaf en bovendien gemeld ontvangstbewijs (van 19 Febr.) nu door eischer geproduceerd afgaf, zoodat de daarin voorkomende uitdrukking dat „de heer Roos mij niets meer schuldig is", in verband met den verderen inhoud genomen moet worden, en daaruit voldoende blijkt, dat die afrekening meer van b eperkten omvang was, beioepende ged. zich hierbij op den inhoud der quitanties van 6 en 19 Febr. 1892, hierboven sub 4 en 5 gemeld, betreffende het voor gemeene rekening op te richten slachthuis te Conneuve, door welke quitan ties de juiste beteekenis van de door eischer geproduceerde decha rge duidelijk wordt aangetoond ;

O. dat ged. daarbij er tevens op gewezen heeft, dat niet aan te nemen is, dat denzelfden dag waarop partijen definitief afrekenden weder door eischer opnieuw geld gegeven zoude zijn voor een onderneming, die den 6en Febr. reeds was aangevangen • dat een en ander ook zoude kunnen blijken uit de quitanties door ged. over de in Aug. 1891 gestorte gelden aan eischer teruggegeven, indien deze ze produceeren wil;

O. dat de eischer daartegen heeft aangevoerd, dat de quitantie van f 9000 hierboven sub 3 omschreven, aan beslistheid en algemeenheid niets te wenschen overlaat, zoodat uit haar volgt, dat op 19 Febr. 1892 de op 6 Febr. 1892 door ged. aan eischer gegeven f 1500 verrekend en dus op 21 Juni 1892 niet meer verschuldigd waren ; dat tegenover ged.'s voorstelling van de geschiedenis der décharge van 19 Febr. 1892 eischer beweert, dat nadat partijen reeds eenige weken gemeenschappelijk zaken hadden gedaan, waarbij hij aan ged. steed3 veel geld voorschoot, eischer met ged. op dien voet alleen wilde voortgaan, indien bij hunne telkenmalige gedeeltelijke afrekeningen f 9000 zoogenaamd „staan bleef", zoodat eischer ten minste dat bedrag aan ged. schuldig bleef; dat die f 9000 dus slechts als zoodanig fungeerde, doch ged. het nimmer bij de firma S. van Dantzig & Co. gestort heeft; dat eischer dan ook aan ged. op 19 Febr. geen f 9000, edoch wel f 2845 heeft uitbetaald door eene chèque op de firma S. van Dantzig & Co. als saldo hunner tot op dien dag bestaande finantieele verhoudingen ; waarop ten bewijze dier finale kwijting de meer besproken décharge van f 9000, door ged. aan eischer is afgegeven, dat dus ook toen verrekend en onder die décharge begrepen waren de f 1500 waarvan het ontvangbewijs van 6 Febr. spreekt, biedende eischer tevens aan dit door een suppletoiren eed te bevestigen;

0. dat de ged. daarop eene gespecificeerde opsomming heeft gegeven van de posten, waarop de décharge van gemelde f 9000 betrekking heeft, zijnde eischer's aandeel in het verlies op in Jan. 1892 voor gemeenschappelijke rekening naar Parijs verzonden geslachte en levende schapen ad f 576.50 en f 1151.50, het saldo van eene op 22 Jan. 1892 door eischer op de markt te Leiden ad f 5000 gedane betaling op rekening, verminderd met een be^•ag van f 513 door ged. ten behoeve van eischer, wegens aankoop van schapen betaald en gemelde chèque van f 2845, zijnde daaronder dan ook niets begrepen dat betrekking heeft op het slachthuis te Conneuve, terwijl ged. tegen het opdragen van een suppletoiren eed aanvoerde, dat hiertegen bezwaar was, waar eischer getoond heeft zich het op 19 Febr. 1892 gebeurde niet goed meer te herinneren ;

O. dat aangenomen kan worden, dat eischer, indien hij bedreigd wordende met voorloopige gijzeling onder de door hem gerelateerde omstandigheden op 21 Juni 1892 betaald heeft, in zijne ingestelde vordering ontvankelijk is, doch dat het de vraag is in hoeverre hij het bewijs geleverd heeft, dat die betaling onverschuldigd was;

O. dat eischer beweert, dat bewijs geleverd te hebben door het stuk hierboven sub 3 gemeld;

O. dat waar uit de beweringen over en weder door partijen gedaan volgt, dat dat stuk (de décharge van 19 Febr. 1892 ad f 9000) strekte, om zekere tusschen partijen loopende zaken, speciaal bestaande in gemeenschappelijken handel in schapen af te sluiien; voor welke zaken de ged. bij de bankiers S. van Dantzig & Co. f 900G, hetzij had moeten storten, hetzij bij de telkenmalige gedeeltelijke afrekeningen had laten staan en naarmate er zaken gebeurden, steeds moest aanvullen tot dat bedrag, en zulks tot zekerheid van wegens hunnen gemeenschappelijken handel zich vormende vorderingen van eischer op ged., de beteekenis van dat stuk in verband tot die zaken staat;

O. dat hieruit volgt, dat de in die décharge voorkomende uitdrukkingen hieraan moeten worden getoetst, ook als zij in absoluten zin gesteld zijn, en dat eischer door die quitantie de onverschuldigdheid van meergemelde f 1500 op 21 Juni 1892 willende bewijzen, juist omdat partijen te dien aanzien verdeeld zijn, had behooren over te leggen en in het geding brengen alle op die décharge betrekkelijke bescheiden, opdat de juiste beteekenis van dat stuk zoude blijken ;

O. dat dit te meer klemt, omdat, waar eiBcher ten bewijze der door hem beweerde onverschuldigde betaling van f 1500 de in dat stuk voorkomende uitdiukking „en de heer Roos mij niets meer schuldig is" zoo letterlijk mogelijk op wil vatten, uit eischers eigen beweringen volgt, dat overigens dat stuk niet zoo letterlijk op te vatten is ;

0. toch, dat, waar ged. er in verklaart, dat hij van Roos ontvangen heeft „f 9000 voor terugbetaling van door mij voor gemeenschappelijk te drijven handel gestort bedrag" toen geene terugbetaling van dat bedrag, maar betaling per chèque op van Dantzig van f 2845 heeft plaats gehad, terwijl eischer verder zelf ontkent, dat die f 9000 ooit (zooals de décharge zegt), door ged. zouden zijn gestort, doch beweert dat dit bedrag „slaan bleef" • dat het slechts als zoodanig fungeerde en ged. het nimmer bij de firma van Dantzig zoude hebben gestort;

0. dat eischer echter de in die décharge voorkomende uitdrukking „en verklaar ik hierbij, dat de zaken tusschen mij en genoemden heer Roos afgeloopen zijn", wederom zoo letterlijk mogelijk op wil nemen, namelijk dat alle toen bestaande geldelijke relaties vereffend waren ;

O. dat die zin met het oog op de door ged. in het geding gebrachte stukken hierboven sub 4 en 5 gemeld, daarmede wederom moeielijk te rijmen is;

O. toch, dat die stukken niet handelen over den gemeenschappelijken handel in het algemeen, die partijen destijds te zamen dreven, maar enkel spreken van eene bijzondere met name genoemde gemeenschappelijke onderneming „das Schlachthaus in Conneuve bei Paris", en dat nu speciaal uit de quitantie van 19 Febr. 1892 luidende, dat toen (d. i. op denzelfden dag der décharge) door eischer van ged. ontvangen waren f 500 zum decken der kosten unserens gemeinschaftliches Unternehmens zu Conneuve Lebourgel bei Paris, volgt eensdeels dat door de décharge van 19 Febr. niet alle bestaande geldelijke relaties vereffend waren, anderdeels dat er toen nog eene zaak was, „die niet afgeloopen was";

0. dat in verband daarmede ged.'s beweren, dat de gemeen schappelijke onderneming van een slachthuis te Conneuve viet buiten den gemeenschappelijken schapenhandel tot nu toe door partyen gedreven, zeer aannemelijk is, en zulks te meer waar ged, in de laatste conclusie die genomen is, de rekening heeft opgemaakt, die volgens hem tot de décharge van 19 Febr. ad.

Sluiten