Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 29 November 1893. N\ 6416,

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- liN All VERÏ ENTIE-BLAI).

VIJF-EN-VIJFTIGSTE JAARGANG. JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt des Maandags. Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 10; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enzfranco aan de Uitgevers.

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN".

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 26 October 1893.

"Voorzitter, Mr. J. G. Kist.

Raadsheeren, Mrs.: J. J. van Meerbeke, I. Teltinq, Jhr. B. C.

de Jonge, Ph. van Blom, A. P. Th. Eysseli. en E. W.

Gui.JÉ.

De rechter heeft bij de beoordeeling van zijne bevoegdheid zich eenvoudig te plaatsen op het door den eischer bij dagvaarding gestelde standpunt, zonder zich te begeven in een onderzoek naar de juistheid daarvan.

Voor het tol stand komen eener overeenkomst wordt behalve het gelijktijdig naast elkander bestaan van twee overeenstemmende wilsverklaringen, vereischt dat bij beide partijen de wetenschap van die overeenstemming aanwezig zij.

Eene overeenkomst tusschen afwezige partijen komt dus niet reeds tot stand op het oogenblik waarop hij wien het voorstel dctartoe is gedaan, het bericht van de aanneming verzendt, maar eerst op het oogenblik waarop de voorsteller met de aanneming in kennis is gesteld.

(Zie het ïirrest a quo van het Gerechtshof te Leeuwarden dd.

1 Febr. 1892 in W. no. 6312).

E. M. Hoekstra, eischer, vertegenwoordiger en advocaat Mr.

B. M. Vlielander Hein,

tegen

W. J. Ij- Tiemesen, verweerder, vertegenwoordiger en advocaat

Mr. J. G. S. Bevers.

Adv.-gen. Gregory heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Beeren, President en Raden 1 Van de 2 middelen van cassatie luidt het le : „Schending en verkeerde toepassing van de artt. 314, 1 en 5 B. R., omdat het Hof, uit het oog verliezende en het vonnis tot grief aanrekenende, 's Hofs eigen vooropgestelde juiste stelling, dat de competentie zich regelt naar de figuur van den eisch in de dagvaarding, ongeacht of die later zal blijken te zijn juist of niet juist, in casu de incompetentie der Rechtbank te Leeuwarden heeft uitgesproken op grond, dat de overeenkomst tusschen Hoekstra en Tiemesen zou zijn gesloten per telegram te Oss, in plaats van, gelijk de Rechtbank deed, te onderzoeken op welke plaats was gesloten de overeenkomst tusschen Hoekstra en Draper, hetgeen volgens s Hofs eigen feitelijke beslissing de voorstelling van de dagvaarding medebracht". . .

Naar het mij voorkomt, berust dit middel 0| een onjuisten feitelijken grondslag. Feitelijk onjuist toch is wat aan het slot van het middel wordt beweerd, dat „volgens 's Hofs eigen feitelijke beslissing de voorstelling van de dagvaarding medebracht" dat de overeenkomst was gesloten „tusschen Hoekstra en Draper". Het Hof toch maakt juist het tegendeel uit: het beslist namelijk dat de dagvaarding niet spreekt van eene overeenkomst tusschen Hoekstra en Draper, maar van een tusschen Hoekstra en Tiemesen. Naar 's Hofs uitlegging der dagvaarding had Hoekstra aan Tiemesen boter verkocht, was dus Hoekstra verkooper en Tiemesen kooper. Nu was bij dien koop nog wel een derde person betrokken. zekere Draper, maai deze treedt bij de uitlegging door het Hof aan de dagvaarding gegeven, geheel in de schaduw. Men leze omtrent een en ander de 3e overweging van het beklaagde arrest: „O. dat de eischer, de heer Hoekstra, ter dagvaarding heeft gesteld, dat de gedaagde, de heer Tiemesen, door middel van den heer Draper a contant voor zijn bedrijf van hem heeft gekocht en deze aan den heer Tiemesen de gelibelleerde boter heeft geleverd".

Wat dezen Draper betreft was in eersten aanleg door den toenmalig» n ged. (zie de voor dezen genomen postinterlocutoire conclusie) beweerd, dat de eigenlijke verkooper was Draper, die boter aan Tiemesen verkocht had en dat de levering was geschied door middel van Hoekstra. Dit beweren wordt kennelijk bedoeld en, met het oog op de dagvaarding, als onjuist bestreden in de 4e overweging, en wel: „O. dat de rechter bij de beoordeeling van zijne bevoegdheid eenvoudig zich heeft te plaatsen op het door den eischer bij dagvaarding gestelde en nog niet weersproken standpnnt van verkooper en zich niet heeft te begeven in een onderzoek naar de vraag, of de eischer zich terecht als verkooper heeft beschouwd en of Draper in werkelijkheid de wederpartij bij de overeenkomst is geweest vermits daaromirent geen middel is voorgedragen'".

Het Hof treedt vervolgens in de 5e en 6e overweging in een onderzoek naar de vraag, waar de bij de dagvaarding bedoelde, teiMs611 8tra en Tiemesen aangegane overeenkomst geslo-

, ^,en "et het dus, naar de uitlegging door het Hof aan de snrakT "Dg ,gegeven' kan daarbij van geen andere overeenkomst oLn H? n"? Va" die 'ossehen Hoekstra en liemesen aangedat het JLiT i; zegt het uitdrukkelijk in de 4e overweging, onderznpto rn™ aan de dagvaarding houdende, niet heeft te

onderzoeken of ^er in merkelijkheid partij is geweest.

« V 'ub"dla,re middel heef

„Schending en verkeerde toepassing van de artt. 1349 en 1356

0^

B. W., door aan te nemen, dat de overeenkomst in ter absentes tot stand komt niet ter plaatse alwaar het bewilligende antwoord wordt ontvangen, doch ter plaatse vanwaar het is afgezonden".'

Dit middel is gericht tegen de 6e overweging van het beklaagde arrest, aldus luidende: „dat het antwoord op de vraag, waar de overeenstemmende wil van partijen zich in het gegeven geval heeft vereenigd, naar 's Hofs opvatting moet zijn de plaats, waar het toestemmend antwoord is gevraagd, gegeven en verzonden, dus te Oss, en niet waar het is ontvangen, door den afzender van het telegram". De verweerder wil in deze overweging op grond van de woorden „in het gegeven geval", een feitelijke beslissing lezen. Misschien dat deze woorden doelen op „te Oss", maar wat daarvan zij, ik voor mij kan in die overweging niets anders vinden dan eene juridieke opvatting. Of die opvatting de juiste is, zal thans moeten worden onderzocht.

Er zijn schrijvers, die meenen dat het voor het totstandkomen eener overeenkomst niet voldoende is dat er zij overeenstemming tusschen de wilsverklaring der eene en die der andere partij, maar dat bovendien gevorderd wordt, dat beide van elkanders wilsverklaring bewust zijn, daarvan kennis dragen. Zoo o. a. von Vangerow, Lebrbuch der Pandekten (1869) III § 603, p. 248 vgg. en Goudsmit, Pandectensysteem II, p. 86 vgg. Ik ki n mij met die leer moeilijk vereenigen. Wanneer A aan B heeft verklaard eene zekere zaak voor een bepaalden prijs van hem te willen koopen, dan is hij het met B eens geworden zoodra deze verklaard heeft hem de bedoelde zaak tegen den bepaalden prijs te willen verkoopen, onverschillig of die verklaring ter kennis van A is gekomen.

En dit geldt m. i. evenzeer van eene overeenkomst inter praesentes, als van eene inter absentes. A en B bevinden zich in hetzelfde vertrek.

A vraagt aan B of deze eene zekere zaak voor eene zekere som van hem koopen wil. A antwoordt toestemmend. Nu is de overeenkomst gesloten. Maar zij is niet gesloten omdat A het antwoord gehoord heeft, doch omdat B het antwoord gegeven heeft.

Stel dat deze handeling had plaats gehad in tegenwoordigheid van getuigen en dat A naderhand berouw gekregen had en liever den verkoop niet had gesloten. In het stelsel, dat voor het bestaan der overeenkomst het antwoord van B tot bewust zijn van A had moeten zijn gekomen, zou A, misschien niet zonder voor hem gunstig gevolg kunnen beweren, dat hij het antwoord niet verstaan had. In het andere daarentegen zal het bestaan der overeenkomst worden bewezen door de verklaringen der getuigen, dat zij gehoord hebben dat door A het aanbod is gedaan en dit door B is aangenomen.

En nu de overeenkomst inter absentes. Men neme hier het zich dikwerf voordoende geval, dat zij langs telegrafischen weg gesloten wordt. A telegrafeert aan B of deze hem eene zekere hoeveelheid van zekere waar voor een bepaalden prijs verkoopen kan of omgekeerd, of B die van hem (A) koopen wil. Zoodra nu B zijn toestemmend antwoord in den vorm van een telegram heeft afgezonden, is de koop gesloten. Op dat oogenblik toch vereenigden zich de beide wilsverklaringen.

Derhalve is ook de plaats der afzending van het telegrafisch antwoord de plaats, waar de koop gesloten is, niet de plaats waar dat antwoord ontvangen is.

Heeft dan de ontvangst van het telegrafisch antwoord voor de rechtshandeling geene beteekenis ? Zeer zeker heeft zij die, doch niet als vereischt voor het tot stand komen der overeenkomst, maar als bewijs dat deze tot stand gekomen is.

Bij de pleidooien heeft men zoowel van de zijde des eischers als van die des verweerders tal van schrijvers aangevoerd. En inderdaad het punt in quaestie heeft sinds lang tot veel strijd aanleiding gegeven. In de beide kampen vindt men de uitstekendste rechtsgeleerden. De Raad zal niet van mij verlangen dat ik hier de verschillende meeningen uiteen zette. Eene conclusie is geene verhandeling. Ook meen ik mij van het doen van aanhalingen te moeten onthouden. Men veroorlove mij echter eene uitzondering. Ik wensch namelijk woordelijk weder te geven wat een der grootste autoriteiten, op wien ik het voorrecht heb mij te mogen beroepen, von Savigny zoo kernachtig en zoo glashelder zegt in zijn Systeem VIII § 371 (uitg. 1849) pag. 235 : „Die erste Frage beantworte ich unbedenklich dahin, dass der Vertrag da geschlossen ist, wo der erste Brief empfangen und von dem Empfanger die zustimmende Antwort abgesendet wird ; denn an diesem Ort ist es zu einer übereinstimmenden Willenserklarung gekommen".

Ik houd dus 's Hofs beslissing voor juist en derhalve ook dit 2e subsidiaire middel voor ongegrond en heb daarom de eer te concludeeren tot verwerping der voorziening met veroordeeling van den eischer in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Partijen gehoord;

Gezien de stukken;

Overwegende dat als eerste middel van cassatie is voorgesteld: Schending en verkeerde toepassing van de artt. 314, 1 en 5 B. R., omdat het Hof, uit het oog verliezende en het vonnis tot grief aanrekenende 's Hofs eigen voorop gestelde juiste stelling, dat de competentie zich regelt naar de figuur van den eisch in de dagvaarding, ongeacht of die later zal blijken te zijn juist of niet juist, in casu de incompetentie der Rechtbank te Leeuwarden heeft uitgesproken op grond, dat de overeenkomst tusschen Hoekstra en Tiemesen zou zijn gesloten per telegram te Oss, in plaats van, gelijk de Rechtbank deed, te onderzoeken op welke plaats was gesloten de overeenkomst tusschen Hoekstra en Draper, hetgeen, volgens 's Hofs eigen feitelijke beslissing, de voorstelling van de dagvaarding medebracht;

O. dat dit middel berust op eene onjuiste voorstelling van den inhoud van het bestreden arrest;

dat daaruit toch geenszins blijkt, dat naar 's Hofs feitelijke beslissing de voorstelling der dagvaarding zoude medebrengen, dat de overeenkomst in deze zoude zijn gesloten tusschen Hoekstra en Draper;

O. dat integendeel het Hof in de 3e overweging voorop stelt, dat de eischer Hoekstra ter dagvaarding heeft gesteld, dat de ged. Tiemesen door middel van Draper 'a contant voor zijn bedrijf van hem heeft gekocht en deze aan Tiemesen de gelibelleerde boter heeft geleverd ;

dat daarop in de volgende overweging met juistheid wordt overwogen, dat de rechter bij de beoordeeling van zijne bevoegdheid eenvoudig zich heeft te plaatsen op het door den eischer bij dagvaarding gestelde en vooralsnog niet weersproken standpunt van verkooper en zich niet heeft te begeven in een onderzoek van de vraag, of de eischer zich terecht als verkooper heeft beschouwd en of Draper in werkelijkheid de wederpartij bij de overeenkomst is geweest;

O. dat derhalve bij het bestreden arrest is aangenomen, dat volgens de dagvaarding de overeenkomst was gesloten tusschen Hoekstra en Tiemesen, en niet tusschen Hoekstra en Draper, en dat dienovereenkomstig de rechterlijke bevoegdheid moet worden beoordeeld;

0. dat alzoo het eerste middel is ongegrond ;

O. dat in de tweede plaats als subsidiair middel is aangevoerd: Schending en verkeerde toepassing van de artt. 1349 en 1356 B. W., door aan te nemen, dat de overeenkomst inter absentes tot stand komt niet ter plaatse alwaar het bewilligend antwoord wordt ontvangen, doch ter plaatse waar het is afgezonden ;

0. dat dit middel is gericht tegen de overweging in het bestreden arrest, dat het antwoord op de vraag, waar de overeenstemmende wil van partijen zich in het gegeven geval heeft vereenigd, naar 's Hofs opvatting moet zijn de plaats waar het toestemmend antwoord is gevraagd, gegeven en verzonden en niet waar het is ontvangen door den afzender van het telegram ;

O. daaromtrent, dat voor het tot stand komen eener overeenkomst zoowel tusschen tegenwoordige als tusschen afwezige partijen, niet voldoende is het gelijktijdig naast elkander bestaan van twee overeenstemmende wilsverklaringen, maar dat bovendien bij beide partijen de wetenschap van die overeenstemming moet aanwezig zijn ;

dat mitsdien evenzeer als hij aan wien een voorstel wordt gedaan, daarvan kennis moet dragen om zich te kunnen verbinden, degeen die het voorstel heeft gedaan, moet weten of het is aangenomen en hij dientengevolge verbonden is, zoodat eerst op het oogenblik waarop hij daarmede in kennis is gesteld, de overeenkomst tot stand komt;

O. dat de door het Hof aangenomen leer, dat de overeenkomst reeds op het oogenblik van de verzending van het bericht van aanneming van het voorstel zoude zijn gesloten, tot het vreemde gevolg leidt, dat hij die het voorstel heeft gedaan eene overeenkomst zoude hebben gesloten zonder zich daarvan in het minst bewust te zijn, wat ten eenenmale strijdig zoude zijn met het wezen eener rechtshandeling;

O. voorts, dat in het gewone rechtsverkeer niet twijfelachtig is, dat de partij aan wie een voorstel is gedaan, nadat hij bericht van de aanneming heeft verzonden, nog bevoegd is om, zonder contractsbreuk te plegen, op het genomen besluit terug te komen, zoolang de tegenpartij nog niet in kennis is gesteld met het antwoord en dat dit onmogelijk zoude zijn wanneer op het tijdstip van de verzending van het antwoord een voor beide partijen verbindende overeenkomst was tot stand gekomen ;

O. dat derhalve het subsidiaire cassatiemiddel is gegrond ;

Vernietigt het tusschen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 1 Febr. 1893 ;

Verklaart de Arrond.-Rechtbank te Leeuwarden bevoegd, om van het tusschen partijen aanhangig geschil kennis te nemen ;

Wijst de zaak terug naar die Rechtbank om met inachtneming van dit arrest te worden berecht en afgedaan ;

Veroordeelt den verweerder in de kosten in cassatie gevallen.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN.

Eerste Kamer.

Zitting van den 4 October 1893.

Voorzitter, Mr. •. W. B. S. Boeles.

Raden, Mrs.: J. C. Bergsma, N. H. van Nes van Meerkerk, J. L. van Sloterdijck en J. Ddtry van Haeften.

Indien een gedaagde in eersten aanleg heeft verklaard zich te willen bedienen van een door de eischers niet erkend stuk en dezen hebben volhard bij de ontkentenis, zonder dat de gedaagde daarop naar art. 177 B. R. vordert de echtheid te staven, mag hij dan nog eene vordering daartoe doen in hooger beroep'/ — Neen.

Heeft de huurder eene actie tot schadevergoeding tegen de erfgenamen van den verhuurder, wanneer de hypotheekhouder geene toestemming had verleend tot de huurovereenkomst, en deze krachtens art. 1223 B. W. de verhuurde boerenplaats heeft doen verkoopen ? — Neen.

W. W. de Lange Jr., landgebruiker te Drouwerdermond, gemeente Borger, appellant, procureur Mr. J. van Loon,

Sluiten