Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 48 December 4893. j\°. 6424.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

YVF-EN-VIJFTIGSTE jaargang.

JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt des Maandags. Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. Prijs der

advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, blieven, enz., franco aan de Uitgevers.

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n". 124).

ÏÏÜOGB RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

(Raadkamer.)

Zitting van den 6 November 1893.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefsting.

Raadsheeren, Mrs.: a. ■feith' a. J. Clant

van deb MUM" B.: Hanlo, S. M. S. de Ranitz en A. M.

van sflpriaan ldiscius.

Art 329 Strafrecht is niet toepasselijk, waar uit de ten laste gelegde feiten niet blijkt van eene uitdrukkelijke of in die feiten "opgesloten misverklaring van de» verdachte tot het aangaan

der door den besteUer voorgestelde Koopovereenkomst en in die feiten ook geen wilsverklaring tot werkelijke voldoening aan de bestelling kan gelegen zijn.

De proc.-gen-.bij het G^htahof w Hertogenbosch is requirant van caS9at'e„ie^enr„il[itt,rnfC ln§ door genoemd Gerechtshof op 5 Oct. 1893 in r gegeven, waarbij de rechtsingang

is geweigerd, die door 1 r van justitie was gevraagd tegen

A. M., oud 41 jaren manufacturenf woninde te

Bergen (Noordhol 'o' r' , JL t a' t- 145 Strafvord. opposant bij exploit van 23 P • 1R(f„n ratiwelijksche dagvaarding, hem beteekend op 1» Sept 1893 ter zake: „dat hij zich zou hebben schuldig ^emi\ . l?£> d°ordat hij in het begin

van Mei 1893, als verkooper den kooper p A. Jheeft bedrogbeD) door dat hij aan dezen, d*6 manofectuurartikelec en wel bepaald

aangewezen 3 ellen u en 4 ellen zwarte voering van

hem kocht, opzettelijk op of omstreeks lo Mei 1893, te Welle, gemeente Bergen, een in waardelooze emballage gewikkeld stuk oud ijzer in de plaats, tegem rembours ad f 7.40 per postpakket, geleverd heeft .

j)e adv.-gen. Patijn heefw in ,jeze zaa^. (je vojgen^e conclusie genomen:

Edel ^rC" ' *^aar aanleiding van eene bij den

TJTnJL ,Hertogenboseh ingekomen klachte, dagvaardde deze Serequireerde voor de Rechtbank aldaar, ter

t™'r Zn W ut: dat h'j in het begin van Mei 1893 Vei Up minnf Per P. A. heeft bedrogen, door dat hij aan hnïaken stof 'pn 4 "nrartlkelen en wel bepaald aangewezen 3 ellen

op of omstreeks loYe" hem k°cht'°PzettelÜ£

waardelooze emballage ge^d ff STff l^reZoZ ad f7.40 per postpakket geleverd heeft.

(je mik makende van de in art. 145 Strafvord. aan den beklaagde gegeven bevoegdheid, verzocht deze dat de zaak door de Rechtbank in Raadkamer worde onderzocht.

Ue olhcier van justitie diende daarop volgens art. 81 Strafvord. aan de Rechtbank een requisitoir in waarbij rechtsingang tegen den verdachte ter zake van het hiervoren vermelde feit werd verzocht.

De Rechtbank weigerde echter dien rechtsingang en stelde den verdachte buiten vervolging „vermits het geincrimineerde feit niet valt onder art. 329 of 326 Strafrecht., het eerste niet omdat er nooit een verkoop heeft plaats gegrepen, het tweede niet bij gemis aan het vereischte opzet".

Van die beschikking kwam de officier van justitie in verzet, edoch met geen ander gevolg dan dat de beschikking door het Gerechtshof werd bekrachtigd.

Daartegen is deze voorziening gericht. Als cassatiemiddel wordt bij memorie voorgesteld: Schending van art. 329 Strafrecht door verkeerde toepassing van art. 84 j°. art. 94 Strafvord.

Volgens dit art. art. 84 kan de Rechtbank den rechtsingang weigeren en den verdachte buiten vervolging stellen, indien geene voldoende aanwijzing bestaat omtrent den aard van het feit of dat hetzelve is gepleegd of van de schuld van den verdachte.

Was het nu de bedoeling van de wijziging, die het oude art. 86 'bij de laatste herziening van het Wetboek onderging, den rechter de bevoegdheid te geven het onderzoek te kunnen afsnijden? De Regeering ontkende het uitdrukkelijk (zie Mr. de Pinto. Met herziene Wetboek van Strafvordering, blz. 346); alleen ddar waar in "t geheel geen aanwijzing van schuld bestond, wilde de wetgever den beklaagde niet onder den indruk der vervolging laten. , _

Ik laat in het midden of de wijziging die bet artikel onderging in de daad ook eene verbetering mag genoemd worden, maar zeer zeker zou zulks niet het geval zijn, indien daardoor den rechter het middel aan de hand was gedaan om het geding te smoren, om mij van eene uitdrukking te bedienen door de Kegeering bij de tot standkoming van het Wetboek gebezigd.

Waarop nu berust de beslissing van het Hof? Eenig en alleen op de overweging, dat in casu niet blijkt van een vooraf gesloten overeenkomst van koop en verkoop ; alzoo op de beslissing dat het voor eene vervolging ex art. 329 Strafrecht noodig zou zijn dat vooraf eene overeenkomst van koop en verkoop zij gesloten.

Deze aan art. 329 gegeven interpretatie maakt m. ï. het beroep ontvankelijk.

Is het nu voor de toepassing van dat artikel noodig dat blijke van een vooraf gesloten overeenkomst van koop en verkoop ? Ik waag het te betwijfelen.

Zon, waar zooals in casu, niet als kooper in den zin van dit

artikel mogen beschouwd worden hij, die, gewoon zijnde goederen van een leverancier tegen door dezen aangekondigden of overeengekomen prijs te betrekken, aan zoodanigen persoon eene bestelling doet en als verkooper hij die op die bestelling goederen afzendt voor het bedrag van het bestelde en den koopprijs in ontvangst doet nemen f — Zijn die twee het niet facto eens over de zaak en den prijs ?

Is dit het geval dan verliest laatstgemelde die qualiteit niet door de omstandigheid, dat hij willens en wetens aan den besteller in plaats van het bestelde iets anders levert. Ware het anders dan zou ieder, tegen wien eene vervolging ex art. 329 Strafrecht wordt opgezet, en waar niet blijkt van eene vooraf gesloten overeenkomst, met goed gevolg kunnen volstaan met de defensie: ik heb nooit den wil gehad hem die goederen, die hij bestelde te leveren. Zulks is m. i. zeer stellig niet de bedoeling geweest van den wetgever, toen hij door art. 329 de koopers tegen bedrog door de verkoopers wilde beveiligen.

Het feit zooals het in het requisitoir wordt omschreven, valt zeer zeker'onder dit art. 329, en nu mag m. i. geen rechtsingang worden geweigerd alleen omdat nog niet gebleken is van eene omstandigheid, waarvan eerst later uit de instructie met volkomen zekerheid blijken kan. Ook op art. 84 is van toepassing hetgeen Mr. DE Pinto (Handl., 2e druk, II, blz. 167) ten aanzien van art' 83 schreef: „Vraagt het Openb. Min. rechtsingang, dan moet men ook aannemen dat het van oordeel is, dat aanvankelijk van eene gepleegde misdaad blijkt, en dat derhalve met nog geene

. . i i ■ j i «nnnnH wnrrlon r)af. Pr rroori nvprlrpHino'

bepaalde zejcerneiu sau %***&" •• -—, — — &— —&

van de strafwet bestaat. De rechter kan evenwel van eene andere meening zijn ; maar hij moet niet het vermogen hebben om het geding te smoren, en de instructie dient juist om te onderzoeken en uit te maken, wie gelijk heeft de rechter of het Openb. Min.".

Onder aanbieding van de processtukken heb ik mitsdien de eer te concludeeren, dat de Hooge Raad de in deze door het Gerechtshof te 's Hertogenbosch gegeven beschikking zal vernietigen en ten principale rechtdoende, alsnog den gevraagden rechtsingang zal verleenen, met reserve der uitspraak omtrent de kosten tot de eindbeslissing.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de op 9 Oct. 1893 ter Griffie van het Gerechtshof

f. «mnvkü uthpw-pprd* So.h e n d i n c van arr._

ingeleverde memuuc, wvy ~

329 Strafrecht door verkeerde toepassing van art. 84 in verband

met art. 94 Strafvord.; .

Overwegende dat de genoemde weigering van rechtsingang berust on de overweging der Arrond.-Rechtbank: „dat het geïncrimineerde feit niet valt onder de artt. 329 of 326 Strafrecht, het eerste met, omdat er nooit een verkoop heeft plaats gegrepen het tweede niet bij gemis van het vereischte opzet"; terw.jl in het beklaagde arrest tót bevestiging van de beschikking der Arrond.-Rechtbank in hoofdzaak is aangevoerd: „dat in bet begin van >I« 1893 de klager bij den verdachte, die daarin handel dnjtt, besteld-heelt 3 el buckskin en 4 el zwarte voering en dat de verdachte in stede van aan de bestelling gevolg te geven en ten einde op die wijze iets van de sints lang aan hem door den klager deugdelijk verschuldigde f23.44 te krijgen, aan den klager op of omstreeks 10 Mei 1893 heeft verzonden een postpakket, bevattende een stuk oud ijzer in de noodige emballage gewikkeld, hetgeen de klager ter zijner woonplaats te Well, gemeente Bergen, tegen rembours i ~ • —*■ waaraan in dp volcptirlp

van I 7.4u, in Ollivaugöb uccu gcuumv-» > ' —ö—

overweging het gevolg i3 toegevoegd: „dat van een vooraf tot stand gekomen koopcontract niet blijkt en de hierboven omschreven feiten nimmer kunnen worden aangemerkt als zoodanige toestemming in te houden als tot het tot standkomen eener overeenkomst van koop en verkoop wordt vereischt";

O. dat in het beklaagde arrest hieruit de gevolgtrekking is gemaakt, dat art. 329 Strafrecht niet toepasselijk is en dat tot ondersteuning van het middel hiertegen bij de memorie met verwijzing naar de gronden van het requisitoir van den proc.-gen. bij het Gerechtshof in hoofdzaak is aangevoerd: „dat naar requirants meening de overeenkomst van koop en verkoop in casu was gesloten op het oogenblik, waarop de verkooper, naar aanleiding van de hem door den kooper gedane bestelling, door de verzending van bet postpakket met de annexe adreskaart en ten overvloede door het in ontvangst nemen van den bedongen prijs aan den kooper het uitwendig waarneembaar blijk had gegeven, dat hij zich tot de levering der bestelde waren had verbonden; dat het voor de geldigheid dezer overeenkomst niet de vraag is of de verkooper werkelijk den wil heeft gehad, om de bedongen waren te leveren, maar enkel of hij dien wil aan den kooper heeft geopenbaard" ;

O. dienaangaande, dat volgens hetgeen omtrent de gerezen bezwaren als feitelijk vaststaande moet worden aangenomen, van geene uitdrukkelijke wilsverklaring bij brief of adreskaart van de zijde van den verdachte tot het aangaan der voorgestelde overeenkomst tot verkoop der bestelde goederen sprake is, en dat ook hetgeen als voorloopig vaststaande is aangenomen niet leidt tot de rechtskundige gevolgtrekking, dat daarin eene dergelijke tot den klager gerichte wilsverklaring lag opgesloten ; terwijl in het door den proc.-gen. aangehaalde feit der afzending van het postpakket niet meer dan een aanvankelijk uiterlijke schijn van afzending der bestelde goederen, geene wilsverklaring tot werkelijke voldoening aan de bestelling kon gelegen zijn;

O. dat derhalve te recht is geoordeeld, dat op hetgeen volgens de feitelijke beslissing als voorloopig vaststaande moet worden aangenomen, art. 329 Strafrecht niet toepasselijk is en dat het aangevoerde middel alzoo ongegrond is;

Verwerpt het beroep.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 6 November 1893.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefsting. Raadsheeren, Mrs.: A. A. de Pinto, A. j. Clant van der Mijll, B. H. M. Hanlo, S. M. S. de Ranitz, e. w. Guljé en A. M. van Stipriaan Luïscids.

Bij veroordeeling ter zake van overtreding van art. 10 der verordening op de herbergen en tapperijen in de gemeente Arnhem moet de in het vonnis als bewezen aangenomen omstandigheid dat het genen van eene openbare vermakelijkheid zonder schriftelijke vergunning van den burgemeester is geschied in eene tapperij, ook in de door den rechter aan het bewezen feit gegeven qualificatie worden opgenomen.

E. S., oud 23 jaren, tapper en muziekonderwijzer, geboren en wonende te Arnhem, is requirant van cassatie tegen een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Arnhem van 30 Mei 1893, waarbij met bevestiging van het vonnis des kantonrechters te Arnhem van 31 Maart 1893, voor zoover het bewijs en het strafbare deibij dagvaarding ten laste gelegde feiten betreft, doch vernietiging van dit vonnis wat de qualificatie en veroordeeling aangaat, de req. is schuldig verklaard aan „het geven van eene openbare vermakelijkheid in de gemeente Arnhem zonder schriftelijke vergunning van den burgemeester", en te dier zake, met toepassing van de artt. 10 en 13 der verordening op de herbergen en tapperijen in de gemeente Arnhem en art. 27 der wet van 15 April 1886 (Stbl. no. 64), in verband met de artt. 23 en 56 Strafrecht, 214 en 215 Strafvord., veroordeeld tot eene geldboete van f 5, met vervangende hechtenis van 1 dag en in de kosten van het rechtsgeding in eersten aanleg, desnoods verhaalbaar bij lijfsdwang van ten langste 1 dag, terwijl bij het vonnis nog is verstaan, dat de kosten van het hooger beroep niet zullen worden gebracht ten laste van den veroordeelde.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer de Pinto, heeft de adv.-gen. van Maanen de volgende conclusie genomen :

Edel Hooq Achtbare Heerenl In deze zaak geheel treliiksoorhV

aan die tegen C. J. H., kan ik ook niet tot verwerping van het beroep concludeeren, omdat in de qualificatie ontbreekt, dat de overtreding is begaan in eene tapperij, hetwelk een der ten laste gelegde elementen der overtreding oplevert.

Wegens schending van de artt. 221 en 211 Strafvord., concludeer ik alzoo dat de Hooge Raad zal vernietigen het in deze zaak door de Rechtbank te Arnhem gewezen vonnis, doch alleen ten aanzien der qualificatie gegeven aan het als bewezen aangenomen feit, en het zal qualificeeren als: „het in eene tapperv geven van eene openbare vermakelijkheid zonder schriftelijke vergunning van den burgemeester", met veroordeeling van den req in de kosten. 4'

De Hooge Raad enz.,

Overwegende dat noch bij de aanteekening van het beroep, noch naderhand door of vanwege den req. eenige gronden voor dat beroep zijn aangevoerd ;

O. ambtshalve, dat de Rechtbank, bij het bestreden vonnis ten laste van den req. als bewezen aannemende, dat hij in den avond van 16 Febr. 1893, te ongeveer 8'/t uur en in den avond van 20 Febr. 1893, te ongeveer 83/» uur te Arnhem in zijne tapperij in de Roodenburgstraat aldaar in een lokaal grenzende aan de gelagkamer, pianomuziek voor het publiek heeft laten maken zonder schriftelijke vergunning van den burgemeester, en deze feiten beschouwende als eene voortgezette overtreding van art. 10 der verordening op de herbergen en tapperijen in de gemeente Arnhem, heeft gequalificeerd : „het geven van eene openbare vermakelijkheid in de gemeente Arnhem zonder schriftelijke vergunning van den burgemeester";

dat echter art. 10 der voormelde verordening het geven van eene openbare vermakelijkheid zonder schriftelijke vergunning van den burgemeester alleen verbiedt voor zoover dit geschiedt in eene tapperij, wat dan ook aan den req. was ten laste gelegd en bewezen is verklaard;

dat de Rechtbank, door dit bestanddeel van het strafbare feit bij de daaraan gegeven qualificatie uit het oog te verliezen, heeft geschonden art. 10 der verordening op de herbergen en tapperijen in de gemeente Arnhem ;

Vernietigt uit dien hoofde het door de Arrond.-Rechtbank te Arnhem den 30 Mei 1893 in deze zaak gewezen vonnis, doch alleen wat betreft de daarbij aan de ten laste van den req. bewezen verklaarde feiten gegeven qualificatie;

In zooverre rechtdoende ten principale uit kracht van art. 105 R. O.:

Gezien de artt. 10 en 13 der voormelde verordening, benevens art. 370 Strafvord.;

Verklaart dat de in het bestreden vonnis ten laste van den req. als bewezen aangenomen feiten moeten worden gequalificeerd : „het in de gemeente Arnhem in eene tapperij voor het publiek geven van eene openbare vermakelijkheid zonder schriftelijke vergunning van den burgemeester";

Verwerpt overigens het beroep en veroordeelt den req. in de kosten daarop gevallen.

Sluiten