is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1817, 01-01-1817

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

esne suppïetöire aangifte te vermeerderen of te verminderen, zonder dat er eenigc boete zdl kunnen worden gevorderd.

In den loop der volgsnde veertien dagen, zuilen de aangevers van den boedel van eenen ingezeten dezes Rijks voor de regtbankvan eersten aanleg in liet ressort of voor den vrederegtervan hunne woonplaats , ia perloon , bij eede, of wanneer hunne godsdienstige gezindheid' het doen van eenen eed niet toelaat, op de wijze bij hunne godsdienftige gezindheid in gebruik, verklaren, «dat zij in getnoede vermeenen, bij de « aangifte der nalatenschap van wijle Ni, N. , mets ver« zwegen te hebben dat tot diens boedel behoort, en <{ voor de regeling van het regt van successie heeft moeten « worden aangegeven; noch dezelfde schuld twee of « meermalen te hebben gebragl, noch eenige schuld te «hebben opgegeven, welke niet uit den boedel moet « worden betaald; voorts de bpitenlandsche bezettingen « (zoo er Aijn) en de roerende, goederen, van welke de « waardering bij de wet op het regt van sjucóessie, aan « den aangever of aan de tauxatie van deskundigen is « overgelaten , tot dien prijs te hebben geste'd, welken « zij in gemoede houden als de waarde derzelven, zoo « als die bij de wet op het regt van successie wordt ge« vorderd; en eindelijk , dadelijk te zullen doen aangifte, « van , en het reet van successie te zullen voldoen , voor « de goederen , welke zij -naderhand zullen vernemen « niet, of kwalijk te hebben aangegeven. «

Voor boedels, welke geheellijk worden geërfd in de regte lijn, zal geen eed worden afgelegd; doch wanneer