is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1819, 01-01-1819

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44. Ofschoon de impost der azijnmakers, of van die fabrikanten, welke hunne azijn door trekking of verzuring verkrijgen , in overeenstemming met art. 11, dadelijk en even zeer als die hunner mede-fabrikanten , verschuldigd is bij de aangifte tot fabrikagie, zal dezelve slechts vorderbaar zijn in drie termijnen, aanvang nemende negen maanden na die der aangifte, en wel:

Een derde, binnen de twintig eerste dagen der tiende maand na dien der aangifte ;

Een derde, binnen de twintig eerste dagen der elfde maand, na dien der aangifte, en eindelijk,

Een derde, binnen de twintig eerste dagen der twaalfde maand, mede na dien der aangifte.

45. De termijnen van betaling voor de kunst-azijnmakers zullen geregeld vorderbaar zijn op den twintigsten dag der zesde maand nadien der aangifte, of van den gecontinueerden aanslag.

46. Zoodra de impost van édne«of meer maanden tevens, voor eene bier- en bier-azijn-brouwerij of azijn makerij, minder dan 70 vaten ruimte in de roerkuip of roerkuipen hebbende, de somme van twee duizend guldens zoude surpasseren, zal, voor het te verleene» crediet zekerheid gesteld moeten worden.

Desgelijks zal dit het geval wezen voor de bier- en bierazijn-brouwerijen of azijn-makerijen, waarvan de roerkuip of roerkuipen 70 vaten ruimte of daarboven hebben, zoodra het crediet meer zoude bedragen dan vier duizend guldens,

•Behalve de gewone hulpmiddelen van zekerheid, zal aan de bier- erf bier-azijn-brouwers en kunst-azijnmakers verbleven Z'jn liet deposeren in 's Rijks entrepót van zoo vele bieren en azijnen, als waarvan de waarde, volgens den bekenden prijs

dier