is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1948, 01-01-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het leger en thans de rang van majoor bekleedt; dat hij als zodanig steeds geheel vrijwillig zijn dienst gedaan heeft voor het leger, waarmede toch ook door de Regering ingestemd wordt door verstrekking van kleding, rang en bezoldiging; dat dienst van een aalmoezenier naar zijn mening toch evengoed in aanmerking dient te worden gebracht als tewerkstelling bij een burgerlijke tak van staatsdienst, wanneer men gewetensbezwaar heeft tegen dienstplicht; dat de aalmoezenier bij zijn indiensttreding toch ook een verbintenis heeft moeten aangaan, waarbij hij zich verbond gedurende een bepaalde tijd bij het leger te blijven;

Overwegende: dat volgens de geldende regeling betreffende vrijstelling wegens broederdienst, onder meer aan de dienstplichtigen der lichting 1947 deze vrijstelling wordt verleend, indien een dienstplichtige ten minste drie broeders heeft of gehad heeft, die dienen of gediend hebben bij de landmacht, bij de zeemacht of bij de overzeese weermacht;

dat blijkens de overgelegde stukken twee broeders van de tot de lichting 1947 behorende dienstplichtige voor broederdienst geldige dienst hebben verricht, terwijl een derde broeder als aalmoezenier aan het leger is verbonden;

Overwegende: dat Onze Minister terecht heeft beslist, dat aan de dienstplichtige vrijstelling van de dienstplicht wegens broederdienst niet kan worden verleend, daar de dienst van de broeder, die aalmoezenier is, niet kan worden beschouwd als voor broederdienst geldige dienst en met name niet als werkelijke dienst in de zin van de Dienstplichtwet;

dat intussen de vraag rijst, of hier aanleiding bestaat een bijzonder geval, als bedoeld in artikel 15, lid 1, onder e, der genoemde wet aanwezig te achten;

dat naar Ons oordeel deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, daar sinds het tot stand komen van de Dienstplichtwet de positie van de geestelijke verzorgers zich geleidelijk heeft gewijzigd in die zin, dat zij in onderscheidene opzichten met officieren zijn gelijkgesteld, terwijl ook overigens de door hen verrichte dienst zodanig is te achten, dat deze bij de beoordeling van aanvragen om vrijstelling van de dienstplicht op één lijn moet worden gesteld met de in artikel 20 bedoelde werkelijke dienst;

dat mitsdien alsnog aan de dienstplichtige M. C. M. Goossens, vrijstelling moet worden verleend;

Hebben goedgevonden en verstaan:

met vernietiging van de bestreden beslissing aan M. C. M. Goossens dienstplichtige der lichting 1947. uit Venray, voorgoed vrijstelling