is toegevoegd aan uw favorieten.

De berggids; tijdschrift gewijd aan alle takken van bergsport (skisport)-officieel orgaan van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 1955, 1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naamste toppen Lochkogel en Wilde Lech; het westelijke deel van de hoofdkam met negentien drieduizenders, waaronder Stubaier Wildspitze, Schaufelspitze, Zuckerhütl, Wilder Pfaff en Sonklarspitze; de Windachkamm, hoogste top Schrakogel, de Botzergroep met Botzer en het oostelijke deel van de hoofdkam met Wilder Freiger en een tiental andere drieduizenders. In totaal bevat dit deel 111 toppen. De moeilijkste routes (5e graad) zijn: Kleiner Lochkogel N.O. graat en Beichenkarspitze N.O. graat (beide in de Sulztalkamm); 4e graad komt + vijftien keer voor.

De Tribulaunkamm vormt een zelfstandig onderdeel; het is een klautergebied. Vijftien toppen worden beschreven, waarvan er één is geclassificeerd 6e graad (Pflerscher Tribulaun Z.-wand); 5e en 4e graad komen hier resp. negen en dertien maal voor. Pflerscher en Gschnitzer Tribulaun blijven met Goldkappel bergen die de klauteraars ruimschoot genoeg kunnen bieden!

In schijn is dit anders met de Habicht-Serlers-kamm. Weliswaar bieden de boofdtoppen, Habicbt en Series, op de gewone routes geen enkel probleem, maar bet gebied kent toch drie touren die als 6e graad geklassifieerd staan: Kircbdacb N.W.- pfeiler, Kircbdacb N.W.-wand, Kircbdacb- Nordwandscblucbt. Touren van de 5e en 4e graad zijn er bier te kust en te keur. Het gebied telt 33 toppen.

De Alpeines en Oostelijke Sellrainerbergen hebben meer te bieden aan de gletscherliefhebber. Tochten als Ruderhofspitze, Schrankogel, Lisenzer Femerkogel en Hohe Villerspitze zijn voor kenners bekende klanken. Pfandlspitze noordgraat en Vordere Brunnenkogel N.W.-Kante bieden 5e graads tochten. In totaal worden vijftig toppen beschreven.

De zuidelijke Kühtaier en westelijke Sellrainerbergen hebben minder alpinistische betekenis, toch kan bij deze 58 toppen ook de klauteraar terecht: een mooi oefengebied voor beginners. Bekende toppen in dit gebied zijn Acherkogel, Sulzkogel en Zischgeles. Bachfallenstock en Larstigbergen worden weinig bezocht. Toch zijn er aantrekkelijke doelen onder deze negentien toppen: Larstigspitze, de zeven km

lange Larstig-graat en de Strahlkogel. Geheel en al domein van de skiloper zijn de Vordere Kühtaier-bergen. Alpinistisch is op deze twintig toppen weinig te beleven.

De Kalkkögel hebben terecht een geheel eigen deel van deze gids toegewezen gekregen. Want waar vindt men elders Dolomiten ten noorden van de hoofdkam? Het is het gebied van de klauteraars uit Innsbruck. Vijf hutten kunnen als uitgangspunt dienen, twaalf overgangen en passen telt dit kleine gebied. Op de dertig beschreven toppen vond ik bij twintig routes: 4e graad, bij vijftien: 5e graad en bij negentien: 6e graad. Wilt U een paar beroemde namen ? Marschreizen, Slicker Zinnen, Schlicker Nadein, Grosse Ochsenwand, Riepenwand, Schlicker Seespitze. Het zijn fantastische formaties. Het is jammer, dat juist hier een schetskaartje ontbreekt, temeer omdat recente kaarten niet bestaan.

Deze „boekbespreking” is min of meer een vogelvlucht over de Stubaier Alpen zelf geworden. Dit is niet zonder bedoeling gedaan: ik wilde gaarne wijzen op de mogelijkheden van dit bijna uit de mode geraakte gebied. Als dit mij is gelukt, dan volgt de aanschaffing van dit boekje vanzelf.

H. G. E.

Alpenvereinsführer „Zlllertaler Alpen”. Bergverlag Rudolf Rother, München 1954, prijs ƒ 9.45.

Terecht merken de schrijvers in het voorwoord op, dat de Zillertaler Alpen geen klauterbergen in de trant van de Wilde Kaiser e.d. zijn; het is een gebied voor hen die bij het bergbeklimmen ook nog het avontuur van het onderzoek en het vinden van de weg willen beleven. Want er zijn in dit gebied nog verborgen hoekjes waar de grote stroom niet komt. Het is ook het gebied voor de wat oudere klimmer, die niet bang is voor lange tochten, maar die de tijd voor extreme technische prestaties voorbij heeft zien gaan.

Na een korte, lezenswaardige geschiedenis van het gebied volgt een beschrijving van de grenzen en de onderverdeling. Hierop sluit aan een globale schets van het land,