is toegevoegd aan uw favorieten.

De berggids; tijdschrift gewijd aan alle takken van bergsport (skisport)-officieel orgaan van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 1958, 1958

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op handen zijnde afscheid een klein feestmaal aanrichtten. Schrijver dezes gebruikte deze gelegenheid om enige woorden van dank te spreken tot Franzl Dangl en Karl Jansenberger die ons, het wisselvallige weer ten spijt, zovele fraaie tochten hadden doen maken. In zijn antwoord roemde Dangl de prettige verstandhouding, die er steeds in ons groepje had geheerst en die er zo toe hadden meegewerkt de reis te doen slagen.

Tenslotte wil ik dit verslag niet beëindigen zonder er nog eens aan herinnerd te hebben, dat het initiatief tot deze vakantiereis is uitgegaan van mej. Eja Petri en dat ook zij bet is geweest, die alle voorbereidende werkzaamheden heeft verricht. Namens alle deelnemers moge ik haar hiervoor nog eens onze oprechte dank betuigen.

L. J. NOORDHOFF

Het eeuwfeest van de Alpine-Club

Op 5 en 6 november j.l. genoot ik het voorrecht, de feestelijkheden ter ere van het 100-jarig bestaan van de Alpine Club, als vertegenwoordiger van de K.N.A.V. bij te wonen.

Het is reeds een voorrecht de gast te zijn van deze eerwaardige, ’s werelds oud-- ste organisatie van Alpinisten, welker leden omstreeks 1860 de pioniers waren hij de ontsluiting van de Alpen voor hun sport en tot de huidige dag toe talloze belangrijke eerste bestijgingen in alle werelddelen hebben gepresteerd. Tussen de bestijging van de Dom (1858) en van de Pumasillo (1957) prijkt een aantal eerstelingen in alle gebieden van de Alpen, in Noorwegen, de Kaukasus, Andes, Karakorum, Himalaya, Nieuw-Zeeland, Spitsbergen, Afrika, de Rockey Mountains, Groenland, Alaska, een reeks die diep respect afdwingt. Het aantal expedities, georganiseerd door leden van de A. C., is evenzeer indrukwekkend; zij strekken zich uit tussen die van Godwin Austen naar de Karakorum (1857-1863) via zeven expedities naar de Kaukasus en bijkans ontelbare in Midden-Azië (negen naar de Mount Everest) en elders, tot die naar Macha Puchara in Nepal (1957). Voorwaar, aan sportiviteit, energie en ontdekkingslust van de Engelsen hebben de alpinisten overal ter wereld ontzaglijk veel te danken. En hebben zij niet de ontwikkeling van de gidsen in de Alpen en de

sherpa’s in de Himalaya, zowel door sportieve inspiratie als door hun persoonlijke omgang, op het peil gebracht waarvan talloze anderen profijt hebben gehad?

Een uiterst belangwekkende, goed geselecteerde tentoonstelling, ingericht in het clubhuis van de A. C. in de South Audley Street, en geopend door de Hertogin van Gloucester op 5 november, legde een sprekende getuigenis af van de Engelse alpinistische activiteiten. Behalve een aantal prachtige en interessante foto’s en schilderstukken van leden konden wij er treffende curiosa bezichtigen, brieven, gidsenboeken, pickels (die van Mallory, gebruikt in 1924 en gevonden in 1933 op de N.0.- graat van de Everest) en touwen (een van ’Tilman en Odell, in 1936 op de Nanda Devi gefixeerd, in 1951 daar door een Franse expeditie aangetroffen). Bovendien bevat de november-editie van de Alpine Journal, geheel gewijd aan het honderdjarig bestaan, een indrukwekkend documentatie- en foto-materiaal, dat evenals trouwens de tentoonstelling aan het klassieke zowel als aan het moderne alpinisme volledig recht doet wedervaren.

Het eeuwfeest van de Alpine Club betekent op zichzelf een evenement in de ontwikkelingsgang van de bergsport, de expositie (gedurende 2 jaren voorbereid!), en de Alpine Journal (no. 295) zijn historische monumenten, en de viering zelve in