is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap = Die Niederländisch-Deutsche Kulturgemeinschaft; orgaan der Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap, jrg 2, 1942, no 4, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook alles O'mvat, wat wij heden in het algemeen niet meer onmiddellijk tot het gebied der kuituur rekenen, zooals de krijgskunst, de staatkunde en landbouwkundige of zuiver technische prestaties, daar elke bewuste vorming van het zijn door den mensch kuituur is in den ruimsten zin des woords. Anderzijds gaat deze omschrijving ook niet diep genoeg, want Ihet volkseigene zelf, als de voedingsbodem van elke kuituur, is reeds een bijzondere uitdrukking van het samenwerken der machten van het bloed dus van de soort en het ras en van den bodem derhalve van de ruimte en het landschep —, waarin een bepaald ras bepaalde vormen van de in haar levende werkelijkhed heeft uitgedrukt. Waar deze samenhang verloren gaat of overlheerscht wordt door invloeden van vreemdsoortige, derhalve rassisch vreemde levenswetten, daar wordt de echte, n.l. nog met haar oorsprong verbonden, kuituur ziek en het geheele volksche leven wordt aangetast.

Aan dit gevaar zijn de Grieken bezweken, door dat zij na de Perzische oorlogen Vooraziatische levensopvattingen in hun tot dusverre op zichzelf staande en gezonde levenshouding opnamen; daaraan bezweken de Romeinen; dezelfde wortel heeft de ziekte, waaraan Europa weldra reeds eeuwen lijdt en welke het avondland de ontbinding nabij bracht, totdat men haar door de ontdekking van haar oorsprong, weer te boven kon komen. Men komt haar bij ons te boven doordat men zich weer van de gemeenschap bewust wordt, waarmede wij het 'diepst verbonden zijn en waarin wij volgens de ons door volksaard en stam eigen geworden vormen leven: de gemeenschap van het ras.

Deze ontwikkelingsgang moet en zal zidh krachtens een levende en historische regelmatigheid, in 't geheele gebied van ons door het Noorsch-Germaansche element bepaalde ras voltrekken. Deze weg terug naar onzen oorsprong beteekent in verhouding tot ons recent verleden dat der laatste eeuwen een ommekeer van ontzaggelijken omvang, een werkelijk totale revolutie, waaraan geen gebied zich kan onttrekken. Doordat wij ons van onze echte levende waarden rekenschap geven, wordt de orde, die de vormen van den jongsten tijd bepaalde en die sedert de Fransche revolutie gold, met haar waarden en maatstaven twijfelachtig en hol. Dat wil evenwel niet zeggen, dat wij dit verleden als zoodanig verloochenen, maar wij zien het vanuit een nieuw gezichtspunt.

Het is een kenmerk van deze revolutie, dat zij alles moet vernietigen en afbreken, wat als het ware als een verstarde korst de bronnen van ons gezonde leven afsloot en bijna deed uitdrogen. In deze zin heeft deze revolutie in haar diepsten kern een behoudend, convervatief karakter. Deze ontwikkelingsgang voltrekt zioh volgens de wet der gemeenschap. Het doorbreken van deze wet is niet iets van vandaag of morgen. Groote dingen moeten groeien en rijpen en Ihoe vaster wij van dit groeien en rijpen overtuigd zijn, des te zekerder mogen wij de vruchten afwachten. Weliswaar ontheft ons -dit niet van onze verantwoording en de verplichting, zelfs dit groeiproces mee te maken, het te bevorderen en te hoeden.

Wanneer ik in verbémd met deze opvatting nu inga op de verhouding van staat en kuituur in 't algemeen en op de omstandigheden, waaronder de bevordering van de kuituur van staatswege 'hier in Nederland plaats vindt, dat wordt daarmede tevens duidelijk bepaald, welk onmiddellijk verband er tusschen mijn zeer algemeene besclh-ouwingen en datgene, wat ons vandaag tezamen-

brengt bestaat. Het was absoluut niet altijd zoo vanzelfsprekend, 'da de Staat zioh zelf kultureele plichten oplegt en dat hij zich, daarnaast en bovendien, de bevordering en de verzorging van het kultureele leven tot doel stelt. Het eerste was altijd daar het geval, waar een gezond volk op het hoogtepunt van zijn macht de vorm van een hem passenden staat verworven had en vanuit 'dezen rijkdom voor zich zelf en zijn bloei een gedenkteeken opridhtte. Zoo moet men de Akropolis van Athene zien en de geweldige bouwwerken der Romeinen, en zoo moet men ook de architectonische scheppingen van het nieuwe Duitsche Rijk zien en waardeeren.

Eenigszins anders zijn de kultureele scheppingen van afzonderlijke groote heerschers en dynastieën; ik denk daarbij b.v. aan de Egyptische pyramiden of ook aém het imposante grafmonument van Theodorik in Ravenna. Weer iets anders is het, indien een kultureele prestatie door den Staat wordt volbracht, met een uigesproken politiek doel. Dit was b.v. het geval, toen Karei de Groote oude Germaansche heldenliederen liet opteekenen. Als wij afzien van die bevordering en verzorging van kultureele aangelegenheden door afzonderlijke heerschers, die minder politiek bedoeld waren, maar veeleer uit de wensch, een vorstelijken Maecenas te spelen, voortsproten, moeten wij zeggen, dat een bevordering van de kuituur van staatswege in de tegenwoordige beteekenis, in het verleden practisdh niet bij ons heeft plaats gevonden. Dragers van het kultureele leven waren langen tijd bijna uitsluitend de kloosters, daarna de adel en later de burgerij; het Rijk had in het geheel geen directen invloed op de ontwikkelimg en indirect slechts in zoo verre als kerk en standen leden van het Rijk waren. Daarmede hangt samen, dat wij nauwelijks getuigenissen eener echte rijkskuituur bezitten. Deze omstandigheid is van groote beteekenis want zij kenmerkt in het algemeen den vorm van dat Rijk, dat weliswaar als de idee van een ordening van het avondland een groote bindende realiteit bezat, maar zich niet kon laten gelden als een verplichtende en -beslissende werkelijkheid.

Met ■■deze korte schets is de tegenwoordig voor ons allen zichtbare kultureele taak van den staat aangeduid. De absolutistische zuivere politie- en ambtenarenstaat gaf in kultureele aangelegenheden slechts in zooverre van negatief interesse blijk, dat deze geen verstoring van de rust en de orde mochten teweeg brengen. De poging van den humanistischen welvaartstaat, om den staatsburger zooveel kultuurgoederen toe te kermen en toe te meten als noodig is voor de instandlhouding van zijn tevredenheid en zijn levensstandaard, kan men nog niet als de vervulling eener kultureele taak van -dezen staat beschouwen. Een veel verder gaande verplichting jegens de kuituur als de scheppende levensuitingen van het volk heeft echter de staat, die als inhoud en doel de organische vorming van de volksgemeenschap nastreeft. De staat is dus geenszins het -doel, maar is een middel. In deze functie neemt de staat zelf als monopolie afzonderlijk kultuurgebieden in den ruimsten zin voor zijn rekening, n.l. die gebieden, welke direct de ontplooiing en de beveiliging van de volksgemeenschap dienen: de staatkunde en de krijgskunst. Maar ook alle andere kultureele gebieden zijn voor den staat van belang en worden hem derhalve tot een taak gesteld, die de kultuurpolitiek moet vervullen.

Ter voorkoming van misverstand vestig ik er nogmaals de aandacht op, dat ik hier het begrip staat niet