is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 3, 1943, no 15, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch hoort en leest men over de toekomstplannen van het middelbaar onderwijs veel meer dan de beroepsvorming. Dat is geen afgunst op mijn actieve beroepskameraden van het M. 0., maar een erkenning van hun werk en een verzoek om over de beroepsvorming van de toekomst meer te publiceeren.

Ook onze tegenstanders erkennen, dat als maatstaf voor de waardeering van den mensch als mensch, niet kan gelden het bedrag dat hij int voor zijn werk (hetzij handwerk of intellectueele prestatie), maar de ideëele waardeering voor ieder werk, dat op zichzelf goed gedaan is.

Daarom dient aan iederen toekomstigen werker, hoe eenvoudig zijn beroep ook zal zijn, de noodige zorg te worden besteed. Daar heeft men vroeger wel eens minder bij gedacht....

En nu, als de jongen met diploma de Handelsschool of Ambachtsschool verlaat. Als de ruim 400 guiden, die een leerling Ambachtsschool of de ruim duizend gulden, die een leerling van Gymnasium of H.B.S. 5 aan de gemeenschap heeft gekost om het diploma te behalen, ook eenige garantie gaven dat de arbeid, die dit geld vertegenwoordigt, zooveel mogelijk tot zijn recht komt. De arbeid, aan de opleiding besteed, is afgenomen van de totaie prestatie van ons volk en dient aan het volk verantwoord te worden. Deze arbeid is geen aalmoes of goede gunst, maar een voorschot van de gemeenschap opdat de gediplomeerden door een later beter dan gemiddelde prestatie ook extra voor de gemeenschap van nut kunnen zijn. Het genieten van meer onderwijs legt dus een plicht op aan den leerling, maar ook aan de gemeenschap, want het onderwijs wordt meestal niet ~genoten”, doch het is een moeizaam werk voor menig kind.

Het komt mij voor, dat het logisch is wanneer de gemeenschap de verantwoording draagt voor een plaatsing overeenkomstig de capaciteiten van den gediplomeerde. Voor den oorlog zorgden de directeuren van diverse scholen vaak zoo goed zij konden voor een betrekking voor hun oud-leerlingen. Ouders, kruiwagens en toeval deden de rest. Maar lang niet ieder kwam op zijn plaats. Hoe kwam dat? De plaats die den jongen toekwam was reeds bezet!

Hier volgen enkele oorzaken;

le. Een deel der ouders zag een betrekking open in een heel ander vak dan waarvoor geleerd was, doch die voor de eerste paar jaar meer verdienste beloofde. De jongen had aan de ouders toch al zooveel gekost aan schoolgeld en aan derving van zijn inkomen, dat het er nu maar eens van moest komen. En zoo kwam ]e soms de meest veelbelovende jongelui met diploma Ambachtsschool tegen op de bakfiets van slager of kruidenier. Ik ken er, die later nooit meer de gelegenheid kregen de gemaakte fout te herstellen; hun plaats was reeds door een ander blijvend bezet, die ondertusschen de geschiktheid had verworven, die zij waren kwijt geraakt.

Ook zijn er, die een betrekking zoeken bij een ondernemer, die voor het grootste deel met jeugdige krachten werkt, die niet worden geschoold, terwijl zij na een paar jaar moeten omzien naar een anderen baas, waar zij zich niet kunnen handhaven, omdat de verkregen handigheid te eenzijdig was.

2e. Veel fabrieken en werkplaatsen stellen geen prijs op leerlingen, die op een school reeds een zekere vakkennis hebben verworven. Zij zeggen, dat deze jongelui zich veel moeilijker aanpassen aan het bedrijf, zoowel wat betreft tempo als nauwkeurigheid, dan een jongen van gelijken leeftijd, die zij zelf hebben opgeleid.

Zooals zoo dikwijls hebben er hier twee schuld; de scholen, die doen of ze hun leerlingen alleen maar hebben vol te gieten met kennis om daardoor voor de practijk geschikt te zijn. Die het maken van een rekenfout voor een leerling boekhouden niet erg vinden zoolang het slechts een vergissing is, maar die er niet bij denken dat zijn toekomstige chef er wel een andere meening op na zal houden. De Ambachtsschooljongen, die heel aardig kan werken als je maar niet vraagt hoe lang of het duurt; die wel zelf een mooie teekening kan maken, maar met een fabrieksteekening geen raad weet.

De schuld ligt ook op kantoor en in fabriek; daar kon men wel eens meer gelegenheid geven om zich aan de speciale eischen aan te passen zonder deze eischen van-

zelfsprekend te vinden. Men probeert ook wel eens aan een leerling direct zooveel mogelijk geld te verdienen, heeft geen geduld met hem en zet hem tegen een te gering loon aan te eenvoudig werk.

De ideale oplossing zou zijn; de school en de practijk gecombineerd in een fabriekschool, waar de leerlingen overdag zoowel practisch als theoretisch in nauw contact met het bedrijf niet alleen een technische of kantooropleiding krijgen, maar een opvoeding, die hen klaar maakt als mensch.

3e. De scholen houden bij de aanname van leerlingen geen rekening met latere plaatsingsmogelijkheden. Dit wordt bevorderd door de zeer eigenaardige salarisregelingen, welke men o.a. bij het Nijverheidsonderwijs aantreft. De directeur van een school wordt betaald per leerling-lesuur en de leeraar per werkelijk gegeven lesuur. Belooning naar prestatie, jawel, maar geef dan gelegenheid om te prestoeren en houdt de menschen met weinig lesuren niet vast met het doen van werkzaamheden voor de school, waarvoor geen belooning gegeven mag worden.

Denk eens aan de onderwijzersopleiding, waar willens en wetens met geld en met levensgeluk gesold is door menschen, die wel veel gestudeerd hebben, maar die zoo weinig verstand toonden, dat zij toelieten dat tweemaal zooveel jonge menschen de gelegenheid kregen voor onderwijzer af te studeeren als er plaatsen beschikbaar waren. Meer dan duizend jonge mannen en vrouwen per jaar werden in de gelegenheid gesteld op een kantoorkruk de hun geleerde zielkunde practisch toe te passen bij het bestudeeren van de reacties in hun eigen ik t.o.v. hun ideaal.

Het is een getal, dat niet of zeer moeilijk valt te controleeren, maar het is voor mijn gevoel laag geschat, dat bij een zoo goed mogelijke beroepsvorming en een plaatsing in de beroepen overeenkomstig aanleg en bekwaamheid één op de drie werkers voor zestig gulden per week meer kan presteeren dan hij onder de tegenwoordige omstandigheden doet. Dit beteekent, dat per jaar 1/3 x 3.180.000 X 6 X 50 300.000.000 gulden meer door en voor de gemeenschap zou worden gepresteerd wanneer het ons lukt doeltreffende maatregelen te ontwerpen en ook uit te voeren om te bereiken dat ieder op zijn plaats komt. Dit bedrag vertegenwoordigt tweemaal de totale kosten door den staat aan ons onderwijs besteed. Het is dus de moeite waard.

Ter bepaling van de gedachte volgen hier enkele voorstellen om het gestelde doel te benaderen. Ondanks de groote verbeteringen die de arbeidsbureaux na 1940 hebben ondergaan zijn ook hier nog enkele wijzigingen gedacht.

1. Men bepaalt met behulp van een uitvoerige statistiek het aantal plaatsen wat per jaar voor diverse beroepen noodig is, opdat men weet hoe en hoeveel menschen later kunnen worden toegelaten, dus nu reeds moeten worden voorbereid voor die plaatsen. Deze berekening zal niet uitkomen omdat de schommelingen in de behoeften altijd zullen blijven bestaan. Maar waar onder het nationaal-socialisme de staat regelend optreedt, zullen deze schommelingen minder worden dan wjj ze tot nu toe kenden. Zie verder punt 6.

2. Reeds in de hoogste klassen van de lagere school dient door het nemen van uitgebreide proeven met de jongens (arbeidsschool) en het bezoeken van werkplaatsen aan de leerlingen een indruk gegeven te worden wat het mooie en het onaangename van elk beroep is, opdat hijzelf tot een keus komt.

Voor het verlaten van de lagere school dient er een onderzoek te worden ingesteld niet zoozeer naar de schoolkennis, als wel naar de diverse eigenschappen van lichaam en geest opdat hierdoor de geschiktheid worde bepaald voor diverse groepen van beroepen. Aan dit onderzoek dient de uiterste zorg te worden besteed en ieder individu dient ook individueel door psychologen met speciale studie behandeld te worden.

3. Aan de hand van de onder 2 verkregen gegevens wordt, gehoord de wenschen van het kind en van de ouders, bepaald welke richting het kind zal kiezen. Wanneer de ouders overtuigd zijn, dat de belangen van hun kind het best worden gediend met een juiste plaat-