is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 3, 1943, no 32, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ï riesiand-iiummer

OTOEDN IN VOm CEE!n^

Opsteller: J. Hettema Vinkeveen Opstelraad: Dr. G. de Gelder en Dr. W. F. de Groot

s. ORGAAN YAN HET OPYOEDERSGILDE

Wud Secretaris van den Opstelraad: J. Hettema, Thorn Prikker!, 46 Den Haag Organisator: I.T.van Eelen – Den Haag

No. 32 – 3e JRG. – 4 WINTERMAAND (Dec.) 1943 j

OanAin

De earste eask, dy ’t it Fryske folk oan in skoallemaster stelt, is, det hy lieding oan de bern jaen moatte kin. En wy as skoalle-masters witte tige goed, det it folk dêr gelyk oan hat.

Hwet is nedich om werklik lieding jaen to kinnen? Dêrta moet de master earst baes wêze en den moat hy syn macht sa brüke det de bern üt hjar eigen de goede kant üt wolle.

Sa sjugge wy üs plak yn it Opfiedersgilde ek. Wy erkenne, det der ien baes wêze moat. Mar lyk as de bern by in goede skoallemaster, fait üs it oannimmen fen syn lieding net swier. Hwent wy kenne syn doel: in folk, det net mear toskoerd wirdt troch Onderling getsier, mar det ienriedich meiïnoar op libbet.

Hy freget 4êrby gjin slaefske ünderdanigens, mar krekt eigen initiatyf en de moed om for yens eigen wirk to stean.

En det is it krekt, det Üs as Friezen sa lukt. As it op de measte stimmen oankomt, den komme wy doohs efteroan, mar as der frege wirdt nei minsken, dy ’t stik for stik seis de forantwirdlikheit for hjar wirk drage wolle, den kin Fryslan foaroan gean.

Dêrom Fryske skoallemasters, doch de blynkappen óf! Jimme tiid is kommen!

J. FABER.

Jsüi JUtMduvf

De eerste eisch, die het Friesche volk aan een onderwijzer stelt, is, dat hij leiding aan de kinderen moet kunnen geven. En wij weten als onderwijzer zeer goed, dat het volk daarin gelijk heelt.

Wat is noodig om werkelijk leiding te kunnen geven? Daarvoor moet de onderwijzer eerst als meerdere erkend •worden en dan moet hij zijn macht zoo gebruiken, dat de kinderen uit zichzelf den goeden kant uit willen.

Zoo zien wij onze plaats in het Opvoedersgilde ook. Wij erkennen, dat er één de baas moet zijn. Maar evenals de kinderen bij een goed onderwijzer, valt ons het aanvaarden van zijn leiding niet zwaar. Want wij kennen zijn doel: een volk, dat niet meer verscheurd wordt door onderling getwist, maar dat eensgezind samenleeft.

Hij vraagt daarbij geen slaafsche onderdanigheid, maar juist eigen initiatief en den moed om de verantwoordelijkheid voor eigen werk te dragen.

En dat is het juist, wat ons als Friezen zoo aantrekt. Als het op de meeste stemmen aankomt, dan komen wij toch achteraan, maar als er gevraagd wordt naar menschen, die man voor man, de verantwoordelijkheid voor het eigen werk willen dragen, dan kan Friesland vooraan gaan.

Daarom, FRIESCHE OPVOEDERS, DE SCHELLEN VAN DE OOGEN, UW TIJD IS GEKOMEN!

J. FABER.

(BiipaaLdlsi J'hisiMhs. bioAiandm

Het is mogelijk, dat de titel van dit artikel opgekomen is in het brein van een „Hollander”, die in de meening verkeert, dat Friesland een zeer bijzonder land is, waar ook zeker bijzondere, bepaalde toestanden zullen heerschen op schier ieder gebied, dus ook op het terrein van het onderwijs. Ik heb wel eens het vermoeden, dat men ons verslijt voor een wonder, koppig volkje, dat met starre vasthoudendheid durft te spreken van een eigen taal en een eigen cultuur, dat nog optrekt voor een „tinkdei fen

’e slach bij Warns”, terwijl Europa op zijn grondvesten siddert. Zou het kunnen zijn, dat men ons in „Holland” beschouwt als dwaze separatisten, die nog zelfs in dezen tijd droomen van een onafhankelijk Friesland, evenals in de roemrijke dagen van den groeten Redbod? Wie zou afgaan op het „Fryslanboppe” geschreeuw, zou werkelijk gelooven, dat er een grond van waarheid zou liggen in de duistere vermoedens, die ik hierboven uitsprak. Maar laat mij U dadelijk gerust stellen. Om te beginnen bestaat er in Friesland geen spoor van separatisme. Wij zijn er ons van bewust dat wij een der beste stammen van Germanendom zijn en daarom zijn wij niet een minderwaardig, maar een gelijkwaardig deel van het Nederlandsche volk, al wonen we dan ook op „it foettenein” van ons land. Wanneer we op deze gedachte voortdurend weer den nadruk leggen, kan toch niemand ons dit euvel duiden en nog veel minder ons voor separatisten uitmaken.

En de herdenking van den slag bij Warns dan? Als de Friezen dezen slag herdenken, dan is dat niet om de tegenstelling Friesland-HoUand scherp te doen uitkomen, maar dan zien de volksohe Friezen daarin de worsteling tusschen ’t Friesche boerendom en de Hollandsche plutocratie en dus is de strijd van 1345 een symbool van de geweldige worsteling van de Germanen van dezen tijd, die zich ook bedreigd zien door de plutocratie van over zee.

En voorts, het „gejüchhei” van eeFryslan-boppe” kan niemand au sérieux nemen. Dat past hoogstens in den mond van blagen, die nog niet droog achter de ooren zijn. Van ons zal de wekroep uitgaan „Fryslan oerein”, dat wil voor ons zeggen: „Friezen van dezen tijd, wordt XJ ervan bewust, dat ge een deel zijt van het op leven en dood strijdende Germaansche gemeenebest, en vervult Uw plicht in dit geweldige tijdsgewricht”.

INHOUD: Gan rin Inleiding Bepaalde Friesche toestanden Geschiedenis op de Friesche school De Friesche volksschool . Onze kaatsers Het goede voorbeeld Wrijf je oogen eens uit en... . Gildenieuws A.VL.O.N.