is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 3, 1943, no 32, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was bijna achttien jaar en dan begint een jongen immers de meisjes met andere oogen aan te kijken. Tetje, het nieuwe dienstmeisje van den notaris, was een knap meisje.

Moeder stopte de sokken, gaten, waar haast een koe door kon! Twee jongens, die kaatsen, dan weet men 6iet wel; dat kost garen. Maar zij doet het met plezier, want zij leeft met haar man voor het kaatsen. Geboren in het kaatsersdorp Witmarsum, kende ee als klein meisje het spel al. Een van haar broers was een koning onder de kaatsers geweest. Op het kastje staat zijn foto. Al zijn medailles heeft hij op de borst. Als het kaatsen in het dorp was, hadden ze meestal het huis vol kaatsers. Allemaal gasten. Mooie dagen waren dat. Haar wensch was geworden „een kaatser” en het was ook zoo gekomen... . De man tegenover haar aan de tafel had, tenminste dat zei 'hij, zijn mooisten en dierbaarsten prijs uit Wilmarsum gehaald. Kon het nu met zooveel kaatsersbloed anders, dan dat zij met liefde de kapot'e sokken van haar beide jongens stopte. De eene jongen had al heel wat prijzen gewonnen, eerst onder de jongens, daarna in de junioresklasse, de jongste zou morgen al meedoen aan den schoolkaatswedslrijd in Leeuwarden. Zoo gingen Moeders gedachten.

Vader, die zat te lezen, gooide de krant op de tafel en zei: „Mooi, prachtig mooi! Die stukken mag ik toch zoo graag lezen!”

„Nu, dan kan ik het wel raden”, zegt Trijn zoo heet de moeder van kleine Jan „je was bezig met een stuk over „Kaatskoningen van vroeger en nu.”

„Ja,” zegt Pier, „je hebt het geraden. Zeker, het eene is mooier dan het andere, maar fijn vind ik ze.”

„Wie weet of die schrijver ook nog niet eens bij jou komt,” izegt Trijn, „jij heb', ook heel wat gewonnen.”

„Ja, alles tezamen zoo’n vijftig prijzen. Daar heb ik heel wat voor afgereisd, maar het was een mooie tijd! Als ik naar die medailles kijk, er zijn er negen en dertig, dan is het net' of er een film aan me voorbijgaat. O, tijd wat ging je vlug voorbij! Ik hoor de muziek van den draaimolen en ik zie de ballen op me toekomen. Ik ruik de oliebollen en ik hoor Sijtse nog roepen: „Toe Pier, jij moet.”

Ja, heusch, een spier in mijn rechterarm begint te trekken! Ik weet niet wat het is, maar als ik die kleine, gouden medaille zie en vooral als ik hem nog eens in mijn handen neem, dan.... is het misschien wat kinderachtig van me, maar dan kan ik me moeilijk meer goed houden. Er was laatst een spreker, die zei, dat in stoffelijke dingen toch leven zit. Ja, hij zei het natuurlijk meti heel andere woorden, veel mooier, maar net als ik zao pas zei: als ik dat ding in handen neem, dan is het net alsof als, ja hoe zal ik het zeggen alsof ik weer leef in dien vroegeren tijd, ik ben dan weer dezelfde, die ik toen was. ... Ik e.. ”

„Ja, ik begrijp het, je krijgt heimwee

„Juist heimwee .... Wat was dat een mooie kaatsersdag! Pracht weer, heelemaal geen wind! Een massa menschen op het terrein en den heelen dag zware wedstrijden. Het ging op prijs en premie. De anderen zouden het winnen, zei men.i) Twee spel gelijk... 4om 5 eersten.... 5 eersten geiijk en 6 of 4. Wij de 6 en in het perk.... en een kaats tegen de bovenlijn aan. Een hooge bal achterin, ik schik me er onder en... doe den versten slag van mijn leven. De prijs is voor ons en voor mij de gouden medaille voor den versten slag! En nu is dat alles lang voorbij.. ..

„Ja, maar is het niet mooi, dat het kaatsen in ons geslacht voortleeft? Twee gezonde jongens, die het beiden heel goed kunnen. Het kan immers niet mooier. Wat een genot voor ons om hen in het spel te zien. De tijd gaat verder en het oude moet voor het nieuwe wijken. Wat zou jouw vader in zijn schik geweest zijn, als hij weer een Frans, zijn stamhouder, in het kaatsveld zag staan, die met eer den naam van zijn grootvader als kaatser hoog hield.”

„Zeker, dat zou hij ongetwijfeld en ik ben er ook niet weinig blij mee, dat onze beide jongens zooveel van kaat sen houden, maar drommel, Trijn, het was zoo’n mooie tijd, een tijd om nooit te vergeten! Er zijn voor mij nu geen mooier dagen dan die van de Bondskaatspartij en die van de P.C., want daar komen ook mijn oude maten en ik zeg het je, dan wordtl er weer gekaatst!”

~Ja zeker, met den mcnd,” zegt Trijn.

i’rans komt thuis; meteen is het tijd voor naar bed te gaan en het gesprek eindigt.

Den volgenden dag vinden we Pier met kleinen Jan en zijn beide maten op „Sonnenborgh” te Leeuwarden. Meester en nog eenige anderen uit hun dorp zijn er ook heengetrokken, want hun partuur heeft kans. Voor Meester staat er ook wel iets op het spel, want hij heeft de jongens onderricht gegeven en ze veel moed ingesproken. Zelf zou hij het ook erg prettig vinden, als die wisselkrans eens een jaar in zijn klas kwam te hangen. Een van zijn collega’s had bij ondervinding, dat de jongens dan dadelijk veel enthousiaster werden. Nu, het begon er al aardig op te lijken. Ze waren er nu nog met zijn drieën aan en „bleven staan”. Het ging dus nog om den len en 2en prijs, om prijs en premie.

Teake, de smid en Hendrik, de scheerbaas waren het er al over eens, dat, na wat de jongens al hadden laten zien, verhezen met meer mogelijk was, maar hij zelf zei: „Het is en blijft kaatsen en men moet de huid niet verkoopen, eer de beer geschoten is.”

Ook Pier ging het best naar den zin, vooral nu zijn jongens de laatste partij met mooi en zuiver opslaan er door gehaald hadden. Toen dan ook een van zijn oude maten, die hij ontmoette, tegen hem zei: „Die kleine jongen van jou, daar steekll een beste kaatser in.” toen had hij gezegd: „Ja, hij heeft wel aanleg,” .. . maar hij was het met den spreker eens en inwendig was hij er wat trotsch op. Degene, die het zei, was iemand die er verstand van had en het scheelt, wie het zegt. Hij liet meester maar stilletjes met de jongens begaan, dien was dat wel toevertrouwd en meester kon vooral zoo’n dag met hen doen, wat hij wou. Wat meester zei, was waar voor hen.

Het was zoo ver! De parturen, die om prijs en premie moesten kaatsen, werden opgeroepen. Meester, Teake, de .smid en Hendrik, de scheerbaas, zochten een plaatsje op achter het perk; daar zaten ook de ~supporters” van het

Een oude stadsgracht in Franeker archief)