is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 3, 1943, no 45, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ondanks het feit, dat vrijwel iedereen het eens was met de eischen, die door de leerkrachten werden gesleld, gebeurde er toch het tegengestelde van datgene, wat in deze eischen vervat was- De opvoedersstand in Nederland heeft toen getoond een sterke natuur te bezitten en harde slagen te kunnen ~incasseeren”. Men moet zich er wel eens over verwonderen, dat desondanks in de scholen het dagelyksch werk in trouwe plichtsvervulling werd gedaan. Het pleit voor het hooge geestelijke peil van ons geheele leeraren- en onderwijzerscorps!

Maar, zcoals gezegd is, er is sinds het jaar 1940 zoo het een en ander gebeurd. Ook ons Vaderland is ingeschakeld in het revolutionnaire gebeuren, dat de geheele wereld beroert. De revolutie, die op ’t oogenblik gaande is, is voor een deel het verwerkelijken van de sociale rechtvaardigheid voor alle deelen van ons volk. Dat dit tot werkelijkheid maken van deze sociale rechtvaardigheid zonder strijd (= zonder oorlog) niet tot stand kan komen, omdat sterke machten uit he: verleden zich hiertegen met hand en tand, we zouden nu beter kunnen zeggen: met kanonnen en bommen, verzetten, zal juis. den leeraren en onderwijzers zeer duidelijk zijn, want zij kennen dien 9'rijd! En het zal óók duidelijk zijn, dat op het oogenblik, dat die strijd zijn hoogtepunt heeft bereikt en het erom gaat óf alles te winnen óf alles te verliezen want zoo staan de zaken 'toch we niet kunnen doen alsof reeds alles gewonnen is. Dat wil zeggen, dat we eerst alle krachten moeten inspannen om de fundamenten te leggen, waarop de sociale rechtvaardigheid zal kunnen worden opgebouwd. Zoo beschouwd moet het verwon- wekken, wat er in de laatste jaren in ons land aan sociale wetgeving is tot stand gebracht. Ook het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming heeft daartoe zijn steentje bijgedragen. In het blad „Opvoeding” is daarover onder den titel „Hoe het groeide” in het eerste mrnimer van dit jaar een overzicht gegeven. En toch, als we den werkelijken toestandvan-het-huidige-oogenblik van den Opvoedersstand in ons Vaderland nagaan, dan moeten we bekennen, dat het steentje, dat het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming heeft bijgedragen, slechts een heel klein kiezelsteentje is geweest en dat de groeikracht niet een erge groote kracht tot groei is geweest. Wat er geschied is, doet ons denken aan de beruchte plooien, die wel eens glad zijn gestreken, maar in ’t geheel niet aan ’t uitroeien met wortel en tak, van het onrecht, dat vroeger is bedreven. Het zou een daad van eenvoudige rechtvaardigheid zijn geweest als na het doorbreken van den nieuwen tijd in ons land ten spoedigste aan leeraren en onderwijzers gegeven zou zijn geworden, wat hun uit hoofde van de belangrijkheid van hun ambt toekwam en het zou een daad van eenvoudige rechtvaardigheid zijn als dit nu het nog niet is gebeurd TEN SPOEDIGSTE ZOU GEBEUREN!

Want de toestand van de schoolmeesters is er de laatste jaren, ondanks het gladstrijken van een paar plooien, niet beter op geworden. Hetgeen niet te verwonderen valt! De werkers in de verschillende afdeelingen van het A.V.L.0.N., die zich met de sociale voorzieningen van de leeraren en onderwijzers bezig houden, kunnen er over meepraten. En als we er toe overgingen om de meest schrijnende gevallen eens te publiceeren, zou waarschijnlijk de vraag gesteld worden en terecht of dat in dezen tijd nog mogelijk is. En dan zwijgen we nog over die groote massa leerkrachten, die nog altijd blijk geven nog niets van hun incasseeringsvermogen ingeboet te hebben.

De arme (en fatsoenlijke) schoolmeester is nog steeds troef. Geen wonder dat er ondanks alles met hunkering naar de salarisherziening, die de sociale rechtvaardigheid zal brengen wordt uitgezien. Maar in afwachting daarvan wordt er verwacht, dat het steentje, dat tot den ophouw wordt bijgedragen, iets grooter zal worden en dat er iets meer groeikracht zal worden getoond doordat ook deze plooi zal worden gladgestreken: dat óók de schoolmeesters in aanmerking komen voor de (toegestane) gratificatie, die duizenden en duizenden van onze landgenooten bij de jaarwisseling hebben ontvangen. De levensstandaard is zóó gestegen, dat óók de leeraren en onderwijzers deze gratificatie als een weldaad zouden beschouwen, die hen voor het oogenblik van de ergste zorg zou bevrijden. OPSTELLER

Geschieden isonderwijs

In kort bestek hierover te schrijven is niet mcgeiyk. Twee onderwerpen zouden behandeld moeten worden: de tak van wetenschap, dien we aanduiden met het woord geschiedenis, én die andere tak, dien we het onderwijs noemen.

Hoe staan wij, ieder-voor-zich, tegenover beide? Hoe is onze instelling? Want, willen we elkander (zij het ten deele) verstaan, dan moeten we uitgaan van een zekere Voraussetzung, wat niet hetzelfde is als (ver)onderstelling of voorwaarde. Wat veeleer beduidt: een zekere geestelijke gesteldheid, die „aangevoeld” wordt; een gegeven a priori, dat het vorschende verstand straks beredeneert en redelijk aannemelijk maakt. Subjectief dus. Allicht! Daar beginnen de moeilijkheden al. Leg eens naast elkaar prof. Huizenga’s werkje over Doel en taak van de geschiedenis*), een hevig objectief werk van dezen geleerde, die meent, objectief te zijn en daarnaast dat van Friedrich Meinecke: „Vom Geschichtlichen Ginn und von Ginn der Geschichte”, dat ook subjectief is en wUlende weet en wetende wil zijn: subjectief.

Hoe staan we dus tegenover de stof? Een tweede vraag is: wat is van die overstelpende hoeveelheid stof het belangrijkste?

Grootendeels is deze vraag al beantwoord door het „standpunt”, dat we innemen. De liberaal, de marxist en de nationaal-socialist kiezen, subjectief als ze alle drie zijn uit de stof iets verschillends Ook al verwaarloozen zij het andere niet. De liberaal legt den nadruk op geestelijke stroomingen, de marxist op de materie, de nationaal-socialist op bloed en |

Het verschillende „standpunt” bepaalt ook grootendeels het te betreden terrein (territoriaal). Zoo zal de nationaal-socialist de territoriale begrenzingen trekken, waar het ras en de bodem anders zijn. Grenzen, die beide

anderen loochenen. Maar genoeg, ik wilde u in deze inleiding wyzen op een paar belangrijke zaken betreffende het eerste deel van de woordkoppeling: geschie(^isqnderwijs._

Nu het l:weede lid: onderwijs. Waarbij we onderscheiden: a. de doelstelling; b. de didactiek en methodein-engeren-zin. |

a. Doelstelling. Begrijpelijkerwijs is deze bepaald door het ingenomen „standpunt”. De marxist ziet de samenleving materialistisch, zal zijn leerlingen daarvoor de oogen trachten te openen, zal pogen heden eii verleden te leereii zien door zijn roeden bril. De humanistische liberaal zal geestelijke stroomingen belichten. Hy, die de huidige revolutie niet langs zich heen heeft laten gaan, maar de geweldige waarden van bloed en bodem heeft onderkend, zal hiervan uitgaaii en zyn discipelen hetzelfde inzicht trachten te geven. |

Door deze doelstelling is de stof gedeeltelijk bepaald. Zeker is afgebakend, wat in de eerste plaats moet worden infiezien, onderscheiden, gekend.

I De lèêftijd der'leerlingen eischt verschillende begrenzingen en, natuurlijk, verschillende behandeling. mii dP. beperking tot het L.O. |

I Maar eerst' iets anders. Eerst de aan de orde gesteld. Alweer uitermate subjectief. Die nog het „standpunt” inneemt, dat er zijn menschen, dierlijke gestaltenmet-een-ziel en daardoor verschillend van het dier, erboven-uit-stijgend, er-door-God-boven-gesteld, of hoe men dat ook uitdrukken wil, neemt een ander „standpunt in dan de nationaal-socialist. Immers, die maakt gep scheiding tusschen lichaam en ziel. Hoogstens onderscheidt hij. Maar het begrip „ziel” is zoo heel héél anders dan het oude. Het oude kent „den mensch en „de ziel . uie ziel” is wel variabel, maar soortgelijke zielen „huizen ïn Mongolen, Germanen, Kaffers en Vooraziaten. Hoogstens erkent hij gradueele verschillen in die „zielen . Roodhuiden met een „blankenziel”, Noordrasmenschen met een „Maleische ziel”, alles is mogelijk. Want die ~zielen” in al die „menschen” geplant, zijn principieel gelijk. De nationaal-socialist ziet rassen op de aarde. Die rassen zijn principieel van verschillende structuur, algeheel, naar (om die twee woorden te gebruiken, die hier geen misverstaan moBWI geven) naar |

Ik kan noch wil hier dieper op ingaan. £;enige studie van erfelijkheid en rassenkunde is noodzakelijk en eischt meer dan een uiterst oppervlakkige behandeling. Het voorgaande bedoelt alleen te zijn een er-op-attent-maken. De nationaal-soci'aUst spreekt dus als Arisch mensch