is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 2, 1942, no 8, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer en meer het gevoel, deel uit te maken van de wonderbaarlijke natuur met haar rijkdom en zegen en ook met haar geheimzinnige, zelfs sombere machten. lets van de oerkrachten van den bodem voelde men bijzonder duidelijk bij het binden van 't rijpe graan. Zulk een verbondenheid met natuur en vaderlandschen bodem is immers ook een belangrijk vereischte voor een werkelijken volksopvoeder, daar hij de kinderen hiertoe alleev dan kan leiden, wanneer hij haar zelf bezit.

Nog iets, dat voor alle opvoeders van groot belang is, heeft de arbeidsdienst ons gegeven: Wij leerden er eerbied voor den handarbeid, vooral voor den boerenarbeid; hem erkennen in zijn groote beteekenis voor het bestaan van het volk; hoe noodig heeft vooral de stedeling dati Ook droeg de arbeidsdienst mede er toe bij, dat het volksche arbeidsethos onze persoonliike overtuiging werd, dat prof. Krieck zoo formuleert: „Arbeiten heisst güter erzeugen für die Gemeinschaft" (E. Krieck: „National-poUtische Erziehung"). Tuist in den arbeidsdienst was dit immers in hoogere mate dan waar ook de zin van ons werk, omdat de egoïstische factor, geld te willen verdienen, hier geen rol speelde. Deze onvatting, die den arbeid aanvoelt als een verantwoordingsbewust dienen in de gemeenschap, zal zonder twiifel het ideaal van velen onder ons opvoeders bij de keuze en uitoefening van ons beroep zijn. In den arbeidsdienst voelden wij dit ideaal in ons bewuster en sterker worden. Bovendien merkten wü, dat de TOensrb, die ziin werk in dezen geest verricht, hierdoor zelf ook innerlijk iets wint. Krieck noemt met recht zulken arbeid „das objektive Medium, in dem der Mensch sein Inneres reif macht" (~Nat.-pol. Erziehung"). Dit is iets, vraarvan men in de opvoeding gebruik kan maken, daar immers ook de kinderen bij hun werk en door hun werk niet alleen iets leeren, maar ook een karaktervorming ondergaan. Wat wij in den arbeidsdienst ondervonden, namelijk dat onze medemenschen ons karakter hoofdzakelijk ernaar beoordeelen, of wij behoorlijk ons werk verrichten, dat dienen ook onze leerlingen te weten. Zij begrijpen al heel goed, dat de waarde van een mensch niet bepaald wordt door datgene, wat hij doet, maar door de manier, hóe hij z'n werk doet.

Als hun deze denkwijze van jongs af aan in vleesch en bloed overgaat, zullen zij niet alleen zichzelf en hun klasgenooten daarnaar beoordeelen, maar ook later hun volksgenooten. Het is mij in de schoolpractijk gebleken, dat men bij de kinderen, die in 't algemeen gelukkig nog niet zoozeer bedorven zijn door verwaandheid van stand en herkomst als vele volwassenen, zeer zeker op dit punt veel bereiken kan in de richting van volksche karakteroDVoeding.

In den arbeidsdienst werd het mij tenslotte ook duidelijk, hoe een echte leidster zijn moet. Ik zei al, dat de voorwaarde voor een vruchtbaar leiderschap het vertrouwen en de hoogachting der volgelingen is. Een en ander kan men alleen verwerven door voorbeeldige dienst- en offerbereidheid voor het geheel, door een de anderen overtreffende deskundigheid op het arbeidsgebied, door de grootste rechtvaardigheid in gelijke mate tegenover een ieder, en door kalme zakelijkheid bij het bestrijden van moeilijkheden binnen het gemeenschapsleven. 'Wie daarentegen aan zijn hoogere positie allereerst de grootere rechten ziet i.p. V. de grootere verantwoordelijkheid en de grootere verplichting tot bij-

zondere prestatie,'die is zeker niet een echte leiderspersoonlijkheid, ’zooals ook de opvoeder voor zijn leerlingen behoort te zijn. Gebrek aan kennis van zaken en aan wil tot prestaties bij den leider (of de leidster) laat bij de volgelingen minachting voor hem (of haar) ontstaan; verwaandheid wekt verontwaardiging op; en bevoorrechting van enkele lievelingen, misschien zelfs uit gebrekkige menschenkennis van de vleiers en verklikkers, staat de vorming van een gesloten gemeenschap meer dan al het andere in den weg. Daar wij later een nieuwe leidster kregen, die aan het ideaal meer voldeed dan de eerste, konden wij in de practijk ervaren, hoe het wel en hoe het niet moet zijn, en daaruit leerden wij veel voor ons beroep, waarin' ook de kunst van leiding geven van ons geëischt wordt, die zooveel belangrijker en ook zooveel moeilijker is, dan de kunst van onderwijzen,

Op grond van al deze ervaringen heb ik de vaste overtuiging gekregen, dat de arbeidsdienst aan allen, die opvoeders en opvoedsters van ons volk willen worden, zeer veel voor hun beroep geven kan, dat hü zelfs onontbeerlijk is ook voor hen, of beter gezead, iuist voor hen. L. SCHUITEMAKER-Jung.

Ras en School.

1. Het ras beïnvloedt heel het leven. Dit inzicht is een der peilers van het Nationaal-Socialisme. Het Nationaal-Socialisme immers streeft er naar, den mensch weer te doen leven in den "stijl van zijn ras.

Aan dit streven kan ook de school zich niet onttrekken.

Er wordt over rassenkunde veel gezwamd. Daarom voor hen, die nog niet zoo op de hoogte zijn, een paar algemeene dingen:

De rassenkunde heeft zich in twee takken gesplitst: een biologische en een psychologische. De biologische houdt zich bezig met de „lichamelijke kenmerken", met de erfelijkheid, met eugenetische problemen, met de geschiedenis der rassen door opgravingen, schedelmetingen enz. De psychologische (rassenpsvchologie) houdt zich bezig met de rassenziel. Dit is misschien even belangrijk als het eerste. Want zou

het ras alleen maar invloed uitoefenen op het lichaam, wat had het dan eigenlijk voor een beteekenis. Dit wisten ook de biologen. En zij gingen daarom met hun methodes op zoek naar de „innerlijke kenmerken" van een ras, waarbij ze over het hoofd zagen, dat hier een heel andere methode voor noodig is. De verdienste, deze methode te hebben gevonden, komt toe aan L. F. Clausz. Zijn methode is, zich heelemaal in te leven in het te onderzoeken ras, het nauwkeurig in alle situaties gade te slaan, de reacties der rassen op bepaalde handelingen met elkaar te vergelijken, te trachten, het wezen van den lichaamsbouw te doorgronden, om zoo achter de wet te komen, die aan deze gestalte dezen vorm gaf. Lichaam en ziel worden daarbij gezien als tweeéénheid. Het lichaam, de gestalte is het schouwtooneel der ziel. Beide leven onder de wet van eenzelfden