is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 2, 1942, no 22, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten van dien tijd en weten welk ongeluk zij gebracht hebben voor den mensch, ook in zijn arbeid. Het was niet meer de mensch, die de stoffelijke wereld beheerschte. De heerschappij van de machine kwam naar voren. De menschen werden gespleten in klassen en de beroepen werden verdeeld in allerlei deelberoepen, waarvoor dikwijls slechts geringe kennis noodig was. Het aantal ongeschoolde arbeiders dat dus niet zijn geluk in den arbeid kon vinden, was steeds wassend. Wij vinden hier de aanteekening dat men in Pruisen b.v. in het jaar ißoo reeds 317 beroepen kende, waarbij alleen 12 soorten smeden, 100 jaar later, in 1917, 9186 beroepen met 74 soorten van smeden.

Toen kwam de vierde periode, na den wereldoorlog en met dezen -tijd ook begon uit het 'Oosten het licht van het Nationaal-Socialisme te schijnen. Reeds vóór de machtsovername werd gezocht naar een organische verbinding van personen en zaken en later door ons naar voren gebracht de stelling, dat de heerschappij over de machine moest worden gewonnen. Naar voren werd gebracht de noodzakelijkheid van Oergemeenschappen en van de systematische beroepsopvoeding. Groote mannen in Duitschiand, natuurlijk in de eerste plaats Adolf Hitler, maar ook zijn volgelingen Dr. Robert Ley en misschien in de eerste plaats Prof. Arnhold, leider van het bureau voor Beroepsopvoeding van het Duitsche Arbeidsfront, hebben een groot aandeel daarin gehad om de nieuwe arbeidsidee thans in de vierde periode in te voeren en tot gemeengoed te maken.

Ras en arbeidspersoonlijkheid

Bij het zoeken naar de wetten die den mensch in zijn arbeid beheerschen, en om de samenhang te leeren kennen tusschen mensch en arbeid, moeten wij niet alleen uitgaan van de studie der geschiedenis van vroeger, zooals hierboven in het kort is aangegeven, maar ook bestudeeren de eigenschappen van het ras, of van het bloed. De bloedstroom is eeuwig en stroomt niet alleen in den tegenwoordigen tijd, maar komt uit de oudste tijden. Wanneer wij dus arbeiders in dienst stellen, of hun arbeidspersoonlijkheid willen* vormen, moeten wij zoeken naar hun afkomst en hun raseigenschappen. Deze eigenschappen kunnen zeer verschillend zijn. Bijvoorbeeld kunnen wij enkele typen van volkeren hierbij aangeven.

Het Amerikaansche volk is geen ras, maar is ontstaan uit verschillende volkeren, zoodat geen eigenlijke

raseigenschappen naar voren komen. Bij deze samenstelling van het bloed is te begrijpen, dat de materialistische opvatting van den arbeid naar voren komt. Bij den Amerjkaanschen arbeider is .het wezen van den arbeid hem geheel onverschillig; bij hem is het hoofdzaak, zooveel en zoo snel mogelijk geld te verdienen. De arbeid beteekent voor hem slechts een zaak en het geld verdienen is hem bijna tot een godheid geworden.

Het Engelsche volk is een eilandvolk, zij zijn heerschers geworden. Dit leidt tot eigenschappen van bekrompenheid èn van zakelijkheid, want de Engelschman heeft alleen door zakelijkheid de wereld beheerscht. De Engelsche arbeider vecht natuurlijk ook voor een goed loon, maar hij onderscheidt zich van den Amerikaanschen arbeider, doordat hij daarbij zijn menschelijke waardigheid verdedigt. Hij wil bewijzen dat hij een Engelschman is en blijft. Hij laat zich nooit door zijn arheid geheel beheerschen en wijdt een groot deel van zijn vrijen tijd aan bijzondere genoegens, hoofdzakelijk sport. Hij gevoelt zich wereldburger, maar is in zijn leven de klein-burgerlijkheid zelve. Voor het socialisme is hij nooit in groote mate toegankelijk geweest, vakegoisme was bij hem de hoofdzaak, de vakvereenigingen vochten slechts voor hooger loon en allerlei burgerlijke zaken.

De Fransche arbeider is van een geheel ander en hooger staand type ; hij is vlij tig,., bekwaam en intelligent, maar zijn hoofddoel is sparen voor den ouderdom. Van zwaren en smerigen arbeid wil hij niets weten en hij gebruikt daarvoor vreemde volkeren.

Voor den Noord-Germaanschen arbeider heeft Prof. Amhold een uitvoerige studie gemaakt van de raseigenschappen, die de grondkrachten zijn bij zijn arbeid. Hij heeft daarbij drie stellingen ontwikkeld :

I) De mensch van Noordsch ras heeft een strijdnatuur. Deze is reeds in de vroegste tijden ontwikkeld, maar eerst in den laatsten tijd onderkend. In zijn arbeid wordt deze natuur uitgedrukt door energie, doorzettingsvermogen en bereidwilligheid voor den arbeid.

2) Hij heeft een aanleg voor het handwerk, zooals deze uit den gildetijd reeds is ontwikkeld. Door de ijzeren noodzakelijkheid van de concurrentie na den wereldoorlog, waarbij alleen door kwaliteitsarbeid de Duitsche arbeider het hoofd aan de concurrentie kon bieden, is ook in de laatste jaren het handwerk in

Duitschland, het vakmanschap, tot groote waarde gekomen.

3) Het Noordras heeft den aanleg voor het vragen naar het „waarom”, ’t nadenken over zijn werk en over de taken die hem opgedragen zijn. Dit leidt eenerzijds tot verhooging van de scheppende kracht van den arbeider, anderzijds dikwijls ook tot ontevredenheid en tot het zoeken naar bevrediging buiten zijn werk, zooals b.v. het nadenken over politieke vraagstukken. Wij willen hierover in dit opzicht nog nader spreken.

De geschiedenis van den arbeid in de kapitalistische maatschappij

Wij willen de geschiedenis van de laatste tijden even uitvoeriger beschouwen, dus den tijd van na den wereldoorlog, toen marxisten en liberalen de wereld bestuurden op bijna dezelfde grondslagen. De marxisten zagen den arbeid als een slavernij, wat hij inderdaad ook was en zij gaven den arbeider den weg aan, waardoor hij zich uit de loonslavernij zou kunnen verheffen, nl. de verovering van de politieke macht. Voor hen was het leven een materialistische opvatting, waarbij zij zich niet van andere materialisten onderscheidden. Nooit hebben zij gezien, dat tusschen mensch en arbeid andere verhoudingen bestaan dan van loon, of geld verdienen, of van het voorzien in levensonderhoud. Nooit hebben de marxisten in den arbeid een redelijke waarde in een natuurlijke verhouding gezien.

Maar de liberalen waren niet beter in hun opvattingen. De liberalen maakten den arbeid los van eiken samenhang met den staat of de volksgemeenschap. Ook voor de liberalen was de arbeid niets anders dan een middel om in het levensonderhoud te voorzien; hun ideaal was daarbij de vrije of ongedwongen arbeid. Beide opvattingen waren in wezen geheel gelijk. Beide leerden den arbeider dat hij zelf een „waai” was, die zoo duur mogelijk moest worden verkocht of zoo goedkoop mogelijk moest worden gekocht. In de laatste jaren nog sprak men b.v. in ons land gaarne van „arbeidsmarkt”, „arbeidsbeurs”, enz. De naam „arbeidsbeurs” was genoeg bekend bij onze werkloozen en nimmer hebben de Nederlandsche arbeidsbeurzen hun werk anders gedaan dan als leiders van beurzen.

Beide opvattingen van liberalen en marxisten waren zeker niet nieuw, niet alleen van de jaren na den eersten wereldoorlog. Beide partijen streefden naar de macht; de marxisten. om door hun opvatting van