is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 2, 1942, no 29, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De invloed der erfelijkheid. gezien vonuü een pnedagogisch-psychologisch sinndpunt

A.DUMOULIN

Slot van blz- lO No. 28.

Als de kans van een vader uit den ongel. arb. stand om zulk een verstandelijk zeer begaafd kind te krijgen .op I gesteld werd, zoo werd die kans voor een vader uit stand

IV. 21,9 111. 32,2

11. 196,5 I. 402,1

Vervolgens hield Terman in zijne berekeningen pok rekening met het feit, dat de hoogere standen meestal minder kinderen hebben dan de lagere. Als wat het kinderaantal betreft van de resp. beroepsklassen I t/m V, nam hij aan : 1,5, 2,-, 2,5, 3, 4.

Toen kreeg hij het volgende overzicht :

Beroepsklasse V IV 111 II I Kinder-

aantal 4 3 2,5 2 1,5 Kans I 29,1 51,5 392 1070

Zijn conclusie was dus de volgende :

„Ein Kind eines Akademikers, Industriellen oder Groszkaufmanns hatte also • reichlich tausend mal so grosze Wahrscheinlichkeit den (vOn Terman) geforderten Begabungsgrad afzuweisen als ein Kind eines ungelernten Arbeiters.”

Uitgaande van de positieve gegevens, die het tegenwoordige erfelijkheidsonderzoek ons heeft gebracht, moest eigenlijk zelfs de huidige zesjarige grondschool worden veranderd.

Door de begaafde leerlingen te dwingen 6 lange jaren in veel te groote klassen met de minder begaafden het onderwijs in de grondschool te volgen, wordt de sociah.' selectie onrechtvaardig lang verschoven. De selectie, die in den loop dier jaren door den gewonen overgang telkens plaats vindt, is van te weinig beteekenis : het lagere schoolleerplan richt zich en kan niet andets dan zich richten naar de middelmaat. Zoolang het aantal zittenblijvers per klasse de 6 of 7 te boven gaat, kan een leerplan, dat b.v. op de toelatingsexameneischen van een inrichting voor M.O. ingesteld is, zich handhaven : wordt het

aantal zittenblijvers per klasse grooter, dan moet daardoor het leerplan naar beneden ten koste van de parate kennis van die leerlingen, wier horizon heel wat verder zou kunnen reiken. En ook parate kennis is op het toelatingsexamen voor M.O. candidaten en ook voor U.L.O. candidaten noodig.

De Middelbare school bezit de middelen en past ze ook toe, om leerlingen, die niet mee kunnen, uit te werpen; in veel meerdere mate dan de lagere. Daar (op de Middelbare school) zit men door de grootendeels uniforme eischen van het eindexamen vast aan een bepaald leerplan en concessies aan dat leerplan zijn daar zoo goed als niet mogelijk.

Het is onjuist de begaafden te dwingen het schooltempo van de anderen 'mee te maken en daardoor den opleidingstijd voor hen onnoodig te verlengen.

Daar komt nog bij het feit, dat de wedstrijd met huns gelijken voor de begaafden toch wel meer opvoedende waarde zal bezitten, dan de al te lichte zege over hun minder begaafde studiegenootjes, welke eer aanmatiging tengevolge zal hebben, dan de door den wetgever bedoelde vergrooting van het gemeenschapsgevoel.

Professor Casimir, wijzende op hef groote gevaar van de miskenning der individueele verscheidenheid zegt: Wij moeten vasthouden, dat er zeker algemeene regelen in het leven van eiken mensch openbaar worden en dat de beginselen der verstandelijke en der wilsontwikkeling bij allen aanwezig zijn. Erkennen wij deze gelijkheid der menschen niet, dan ware geen gemeenschapsleven mogelijk, geen school ware bestaanbaar. Daarom

is het goed, dat er altijd ■ stroomingen zijn, die dit algemeen iijke vooropzetten en de gemeenschapsgedachte handhaven. Maar evenzeer is het altijd weer noodig zich te buigen voor het feit, dat de een adelaar en de ander musch is. Een groot maatschappelijk nadeel wordt toegebracht als men krachtsontplooiing wil tegengaan. De meerdere in aanleg, op welk gebied ook, moet niet gebonden worden aan den trager gang van het geheel. Er moeten bij ’s levens opmarsch gangmakers zijn. Elke grootere bijzondere prestatie in sport, in techniek, in kunst, in wetenschap, verheft het geheel. De groote verrichting is het heil der collectiviteit. Te strakke ui terlijke regelen, te doodende uniformiteit verhinderen mogelijk de werking der bovengenoemde negatieve invloeden (bedoeld zijn traditie, nepotisme, protectie, opleiding en diploma’s), maar schuiven ook de minder bekwamen op één lijn met de beteren.”

In' de gemeente Amsterdam gaan van de lagere school de beste leerlingen na 6 jaar uit de 6e klasse dus voorzoover het tenminste 6e leerjaren van scholen met een behoorlijk leerplan betreft naar het M.O. Voor diegenen onder de 6de klassers, die na zes jaar niet geschikt bevonden worden om naar het M.O. over te gaan, stelde men z.g.n. 6 a klassen of brugklassen in. Maar meer en meer blijkt dat deze kinderen ook na zeven jaar nog zeer gevaarlijke candidaten voor het M.O. zijn. Mijns inziens eenvoudig, omdat ook 7 lagere schooljaren niet in staat zijn hun die factoren te verschaffen, die hun een vlot volgen van het onderwijs op de Middelbare school waarborgen. Zeer veel van die leerlingen komen toch weer bij het U.L.O, terecht, waarheen ze reeds een jaar eerder hadden kunnen gaan. Zelfs al hebben ze in dat 7e schooljaar de noodzakelijke parate kennis opgedaan, die andere kinderen in 6 jaar opdeden, dan nog mislukken ze voor een groot gedeelte toch nog en vaak zelfs al in de le klasse, van- de Middelbare school. Ook na 8 jaar.lager onderwijs zouden ze dat nog doen, omdat ze van huis uit factoren missen, die geen school of extra les hun blijvend kan bijbrengen.

I INHOUD: Wij breken niet af, doch bouwen op. Nogmaals om medewerking verzocht. – De invloed der erfelijkheid, gezien vanuit een paedagog'sch psychologisch standpunt. – Een genormaliseerde technische -teekentaal, bezien uit gemeenschaps- en onderwijsdoelstellingen. Boekbespreking. – Oproepingen voor examens. – Uit de Pers. – Officieel nieuws. – Gildenieuws. – Lijst van vacatures. – A.V.L.O.N.