is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, jrg 2, 1919, 1919

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

taten voor een groot deel hun oorzaak vinden in de omstandigheid, dat tal van correspondenten te veel met ander werk zijn overladen en daarbij hun functie van correspondent moeten vervullen zonder daarvoor eenige vergoeding te ontvangen. Gehoopt wordt, dat daarin spoedig verbetering mag worden gebracht. Wij hopen dit ook en dat in verband hiermede de wettelyke regeling niet lang zal uit blij ven.

Verslag Arbeidsbeurs Haarlem 1918. Blijkens dit verslag kwamen in 9071 aanbiedingen.van mannelijke en 876 aanbiedingen van vrouwelijke werkkrachten, 2249 aanvragen om mannelijke en 1127 aanvragen om vrouwelijke werkkrachten, terwijl tot stand kwamen 1678 plaatsingen van mannelijke en 837 plaatsingen van vrouwelijke werkkrachten. Het aantal ingeschrevenen in totaal steeg van 7749 in 1917 tot 9947 in 1918, het aantal aanvragen van werkgevers van 3351 in 1917 op *3376 in 1918, het aantal plaatsingen van 2364 in 1917 op 2364 in 1918. Omtrent de bemiddeling voor gemeentediensten vermeldt het verslag, dat het aantal bij de Beurs gevraagde werkkrachten bedroeg 103 en dat der geplaatsten 97, waarbij wordt opgemerkt, dat deze cijfers wel hooger zouden kunnen zijn, indien de hoofden der bedrijven zich meer tot regel stelden hun personeel van de Beurs te betrekken. De toepassing der regeling van het Kon. Nat. Steuncomité inzake de buitenwoonplaats-werkers kreeg in 1916 grooten omvang : werd in 1917 totaal uitbetaald / in 1918 steeg dit bedrag tot / 13.350.49. Dit bedrag werd uitbetaald aan 617 werklieden. Met betrekking tot de districts-bemiddeling wordt medegedeeld, dat door de districts-arbeidsbeurs binnen bet district werden geplaatst 172 personen, buiten bet district 69 personen, terwijl door andere districts-arbeidsbeurzen in bet district Haarlem werden geplaatst 38 personen. Van de uitkomsten der correspondentschappen geeft bet verslag geen bijzonderheden. Moet uit dit stilzwijgen worden afgeleid, dat deze bemiddeling geenerlei beteekenis beeft gehad of dat zij zoo gering was, dat zij niet te moeite waard was om te vermelden ? Wij kunnen dat niet aannemen en hadden gaarne wat meer daaromtrent vermeld gezien. Ten slotte wordt nog medegedeeld dat in een gemeente van den omvang als Haarlem de behoefte aan een onderverdeeling voor verschillende vakken nog niet is gebleken. Dat kan voor kleinere gemeenten, waar men bet arbeidsveld gemakkelijk kan overzien, zeer wel mogelijk zijn, maar de gronden, waarop men dit beweert lijken ons toch min of meer onjuist. Wij citeeren ~Wanneer de Directeur zelf de inschrijving en bemiddebng leidt en uitvoert, beeft bij na jaren ervaring zeker genoeg kijk op de bedrijven en de Werkzoekenden (cursiveering van mij) om voor allerlei vakken zelf de bemiddeling tot stand te brengen. Hij kan dan evengoed „vakkundig” bemiddelaar worden genoemd als de man, die in bet vak is werkzaam geweest.”