is toegevoegd aan uw favorieten.

Pius-almanak ...; jaarboek van katholiek Nederland, jrg 8, 1882, 1882

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo kunnen wij ook den H. Irenaeus i) en Cyprianus 2) evenals den kerkelijken schrijver Tertullianus met vele anderen aanhalen, die zich allen op dezelfde plaats van Malachias beroepen, en onomstootelijk toonen, dat door de woorden des profeets het onbloedige offer onzer altaren wordt aangeduid.

Wat antwoorden onze tegenstanders op deze tot aan de apostolische tijden reikende bewijzen? Ontzenuwen kunnen zij die niet; alhoewel het niet zonder belang is hunne daartoe tevergeefs aangewende pogingen na te gaan.

Zien wij, hoe Luther die bewijzen eerst.bestrijdt,en dan weer zijne zienswijze wijzigt, dan ontvangen wij door dit zwenken den indruk, dat ook hij de onoverwinnelijke kracht dier plaats wel gevoelde.

In zijn geschrift „Over de babylonische gevangenschap” drukt hij zich op zeer terughoudende wijze uit over dit onderwerp: „Op deze plaatsen is niet een eigenlijk offer bedoeld, maar slechts hetgeen men in alle gevallen een offer des gebeds zou kunnen noemen....” Daar hij zich echter niet kende verheelen, dat deze getuigenissen al te duidelijk zijn, en dat ook de eerste Kerkvaders de Eucharistie een offer noemden, gaat hij beslist aldus voort: „Indien men overigens geen beter antwoord weet, is het beter, alles te loochenen, dan toe te geven, dat de Mis een offer is.”

In zijn geschrift „Over de afschaffing der Mis”, waarin hij hetzelfde punt behandelt, en in zijne verhandeling „Over de stille Mis” laat de hervormer zich de volgende woorden ontvallen: „Wij bekommeren er ons niet om, of de papisten, de Kerk en de Vaders schreeuwen; wij weten immers, dat ook de profeten.

1) Irenaeus adr. haer, L. IV. c. 32.

2) Cyprianus c. Jud. c. 16.

3) Tert. c. Mare. Lib. 111.

4) Luth. op. de capt. Babyl, c. 1. ed. Wlttenb. „Si nihil occurrit quod dicatnr, tutius est omnia negare, quam missam sacrificinm esse concedere.”