is toegevoegd aan uw favorieten.

Pius-almanak ...; jaarboek van katholiek Nederland, jrg 10, 1884, 1884

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedaan heeft; zij overtuigt ons, bijvoorbeeld, dat de kerk van de vroegste tijden af, een gedeelte der tijdelijke straffen, ook buiten de biecht, aan de boetvaardigen heeft vergeven. Het wezenlijke van den Aflaat is steeds onveranderd gebleven; de wm daarvan alleen was naar tijd en omstandigheden niet altijd dezelfde. Het eerste voorbeeld van vergiffenis der tijdelijke straffen heeft de Apostel Paulus gegeven, toen hij in den naam van Jesus en volgens de door Hem gegeven macht, den Korinthiër, dien hij wegens begane groote doodzonde, ook eene groote straf oplegde (I Korinthiërs V) en later, nadat deze zich gebeterd had, hem weer van de straf ontsloeg (II Korinthiërs, II).

Zelfs heeft de Apostel Joannes , zooals de Heilige Eusebius in het 111 Boek, 20 Hoofdstuk, zijner kerkehjke Geschiedenis verhaalt, eenen grooten booswicht tot boetvaardigheid en bekeering bewogen. Om hem echter des te spoediger weder bij de Kerk te kunnen inlijven, vastte hij en bad met hem, ten einde daardoor vergeving voor hem van God te bekomen.

In de tweede eeuw verschijnen, als bewijs voor den Aflaat, de bekende Libelli martijrmn of Brieven der Martelaren. De Bisschoppen gaven dan aan de afvallige meineedige en terugkeerende zondaars de Utteras communicor tonos of gemeenschapsbrieven, zooals zulks in den negenden Canon der te Arles belegde Kerkvergadering te lezen is; deze brieven werden eerst na den dood der Martelaren bekrachtigd. Zoo ging het in de derde eeuw, volgens getuigen van den Heiligen Cyprianus, Bisschop TOn Karthago. Zoo, in de vierde eeuw, ten tijde van Keizer Konstantijn den Grooten, zoo in de volgende eeuwen.

Intusschen leerde de Waldenser-sekte, dus genoemd naar Peter‘Waldo, een koopman van Lyon, dat de van geene waarde of zonder nut waren. Maar deze dwaalleer is in een Concilie of Kerkvergadering te Lateranen,'ya 1168, door Paus Alexander veroordeeld. De verkondiging van den Aflaat is tot heden toe door alle eeuwen heen een feit der Kerkelijke Geschiedenis geweest

Vollen Aflaat noemde men, indien alle tijdelyke straffen,