is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 51, 1901, no 301-306, 1901

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderkoning en zwoer nu, ze allen te dooden als hij ze niet tot geloofsverzaking kon dwingen.

Tot dan toe had men haar uit de residentie te eten gebracht, en de christenen maakten van de korte oogenblikken, die zij bij haar doorhrachten, gebruik om haar tot standvastigheid op te wekken. De mandarijn verbood nu aan de christenen den toegang, en belastte zich zelven met haar onderhoud. Hij hoopte, dat de kinderen als zij geen aanspraak van de christenen meer hadden , lichter zouden overwonnen worden. Daarenboven werd er gezegd , dat de kinderen aan den eerstkomenden heiden zouden worden weg gegeven, elk die er een wilde nemen, kreeg drie zakken gierst. Dat was een harde slag voor Monseigneur; wat moest er zoo van zijne dierbare pleegkinderen geworden ?

De arme weesjes hieven echter standvastig. Zij schreiden bitter, maar besloten liever te sterven dan iets te eten van hetgeen de mandarijn haar zou laten brengen. En, gelijk ik later vernomen heb, hielden zij het vol; zij vreesden, dat het aannemen van het haar aangeboden voedsel als een begin van geloofsverzaking zou worden beschouwd. Toen ik vertrok, hadden zij reeds verscheiden dagen honger geleden. Dagelijks en meermalen daags beproefde men opnieuw hun over te halen; maar zij hieven weigeren. Nu kende de woede van den mandarijn geene palen meer. Den 9 Juli werden de beide Bisschoppen (*), al de Zusters en een groot aantal kinderen vermoord.

Van het lot der overigen is mij voor het oogenhlik mets nader bekend; alleen heb ik gehoord dat eenige der grootsten bestemd zijn om aan heidenen te worden verkocht.

Moeten wij, Hoogeerw. Heer, niet zeggen, dat het schoone Genootschap der H. Kindsheid nu meer dan ooit verdient een heilig werk te heeten, daar Onze Lieve Heer onder de pleegkinderen van dat Genootschap zich zijne maitelaren

(*) Mgr. Grassi en zijn coadjutor Mgr. Fogolla.