is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 60, 1910, no 355-360, 1910

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ge ziet hieruit, dat uwe gebeden en bijdragen, even als onze arbeid, niet nutteloos zijn, ja, dat vele heidenkinderen voor tijd en eeuwigheid worden gered, en dat die kleinen den besten wil hebben om goede en brave chistenen te worden.

Wordt des middags met de klok het teeken gegeven, voor het „Engel des Heeren,” dan nemen de knapen hun klein hoofddeksel af en geknield en met gevouwen handen bidden allen dat schoone gebed.

Om de zwakke oogen tegen de stralen der zon te beschermen, dragen wij. Zusters, buiten een hoed over den sluier. Nu bad, vóór eenige dagen, eene Zuster met de op het veld arbeidende knapen het Engel der Heeren. Na het einde van het gebed kwam de kleine Piet naar haar toegeloopen en sprak : „Zuster, gij hebt vergeten onder het bidden uw hoed af te nemen. De Zuster bracht nu den kleinen aan het verstand dat vrouwen het voorrecht hebben, ook onder het bidden, gedekt te blijven. Maar Pietje kon dit niet vatten en meende dat dit toch een vreemd gebruik was. Daarna stelde Frans de vraag; „Zuster, houdt Onze Lieve Heer meer van de blanke kinderen dan van ons?” „Neen, antwoordde ik, God ziet niet op de kleur der huid, maar op het hart en Hij heeft de zwarte kinderen even lief als de blanken. Nog niet voldaan vraagde Frans verder : „Is het dan niet mogelijk dat mijne huid zoo blank wordt als de uwe?” „Hier op aarde kan dat niet goed, mijn lieve Frans, maar als wij elkaar in den hemel wederzien, dan zullen wij allemaal gelijk zijn.”

Ik eindig dit briefje met den wensch dat het werk der H. Kindsheid, dat zoo bij uitstek geschikt is om den goeden God onder de heidenkinderen te verheerlijken elk jaar al meer moge toenemen en rijker vruchten dragen tot eer van God en tot zaligheid der zielen !