is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 64, 1914, no 379-384, 1914

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemde zich „Blauwtje”. ledereen hield van „Blauwije” onder haar speelkameraadjes. Een dezer noemde men „Konijntje” of soms „Maria”; ofschoon wat jonger dan Blauwtje, was deze haar grootste vriendin. Gewoonlijk eens in de zeven dagen was Konijntje bij het spel afwezig en zulks tot verdriet van Blauwtje.

Waarom zijt ge er gisteren niet geweest ? zeide ze haar opzekeren dag.

Gister was het de dag van den Meester !

Welken Meester ?

De Meester des Hemels.

Waar is die ?

Bij den Pater.

En waar is de Pater ?

Heb ge nooit den grooten Europeaan met zijn zwarten baard gezien ?

Ja wel. Vader zei, dat men er goed aan zou doen hen te dooden, zooals men er verleden jaar 600 ter dood gebracht heeft.

O neen, tegenwoordig vermoordt men ze niet meer. En als men hen en ook ons zou dooden, dan gingen we naar den hemel en daar is het nog mooier dan ginder op den grooten berg.

Blauwtje keek met haar droomoogen omhoog en hernam alsdan : Zeg, Konijntje, is die Pater dan de Meester van den hemel ?

Neen dat niet, maar de Meester des Hemels is bij hem.

Hebt gij Hem gezien ?

Niet al te duidelijk. De Meester des Hemels komt, als men met een klokje luidt, op het altaar voor den Pater in witte kleederen ; dan valt iedereen op de knieën. Ik heb mijn hoofd niet durven opheffen, weet je, maar als ik eens grooter ben . ..

Den volgenden Zondag sloop Blauwtje door nieuwsgierigheid gedreven, verscholen achter Konijntje, het kleine huis binnen, dat voor Kapel diende. De missionaris was daar, hij sprak. Bij het uitgaan zag hij Blauwtje, dat veel schrik had, maar hij lachte tegen haar.

Zij wachtte zich wel thuis iets van dit bezoek te vertellen.