is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 65, 1915, no 385-390, 1915

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een Christen edelknaap, Ignatius geheeten, vroeg hem naar de oorzaak zijner hevige droefheid. ,Ik heb,” antwoordde Franciscus, „zooëven over het lijden des Zaligmakers nagedacht; en toen viel mij in, hoe ongelukkig al diegenen zijn, die deze groote weldaad niet erkennen. En dit trof mij zoozeer, dat ik moest weenen.”

Toen de edelknaap hoorde, welke verheven gedachten het kind had, kon ook hij zijn tranen niet bedwingen. Hij wist ook, de edelknaap, dat beide kinderen nog dienzelfden nacht, in den slaap, om het leven gebracht zouden worden. Maar hij durfde er hun niets van zeggen. Om er Franciscus echter eenigszins op voor te bereidt n, begon hij hem op luiden toon vóór te bidden; „O, H. Maagd en Moeder Gods Maria! ik bid en smeek U, door de verdiensten van het bitter lijden van Uw Zoon Jezus Christus, dat Gij mij wilt gedenken, indien ik misschien dezen nacht zou moeten sterven. O, lieve Moeder, ik stel mijn lichaam en mijn ziel in Uwe maagdelijke handen.” Met groote vurigheid herhaalde Franciscus op staanden voet deze woorden en sprak vervolgens drie en dertig maal de H. Namen van Jezus en Maria uit.

Hierop besproeide hij zich met wijwater en ging toen te bed.

Terwijl de onschuldige kleinen nu sliepen, ging de edelknaap voort, met groote vurigheid en vele tranen te bidden voor hen beiden, die weldra ten eeuwigen leven moesten ontwaken.

Om middernacht kwam een soHaat binnen en doorstak de slapenden met een dolk. Hun dood vervulde alle Christenen, van den aanzienlijkste tot den geringste, met diepe droefheid. Alleen hun broeder, de afvallige koning, bleef gevoelloos en begon van nu af nog erger tegen de Christenen te woeden.

{Wordt vervolgd.)