is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 70, 1920, no 415-420, 1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN PARMANT EN DE SNOEPjUFFROUW.

Daar was eens ’n dapper jongetje en dat heette Jan Parmant.

Daar was ook ’n snoepjuffrouw en die heette Centenbeth.

Op ’n mooien Maandagmorgen stapte jan Parmant parmantig binnen in [’t winkeltje van Centenbeth.

juffrouw, wat kost zoo’n blok?

„Zes centen jongenheer.”

En vroeger was ’t maar vijf.

.Natuurlijk, maar alles wordt duurder tegenwoordig.”

– Nou, dan hoef ik hem ook niet te hebben. Zes is me te duur.

„je hebt zeker geen zes centen. Is ’t wel ventje ?”

Toch wel, maar eentje is voor de missiebus.

„Och wat, met die missiebus! Daar komt toch genoeg in. Toe, koop maar

[zoo’n blok; ze zijn toch zoo lekker!”

Ik doe het niet, zei jan Parmant dapper en ging ’t winkeltje uit zon-

[der iets te koopen.

Toen ging hij naar ’n ander winkeltje en daar kreeg hij ’n blok voor vijf

[centen. Daar hadden ze z’n missiecent niet noodig.

.Zoo’n leelijke Centenbeth'!” bromde jan Parmant boos, en voortaan

[kwam hü nooit meer in haar winkeltje koopen.

Net goed!