is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 73, 1923, no 433-438, 1923

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat z’n misdienaartje had moeten lijden om de gerechtigheid.

Toen Théke kwart over negen met ’n briefje van den pastoor voor meester de pastorie verliet, was ie heelemaal opgeklaard. Ja méér nog, ’t zonnetje scheen in z’n hartje weer even helder, als op den dag, dat ie Pater Frencken vóór twee jaar de Mis had mogen dienen. Kaat de meid, had hem ’n helder gezicht bezorgd ; de pastoor had ’m getracteerd, hij had z’n geld afgedragen en de pastoor had ’m ’n pluim gegeven lang en breed als ’n struisveer. Maar nóg meer. De pastoor had gepraat over missionaris worden en, ’t stond al gauw vast, zoo vast als ’n paal, hij werd missionaris.

En nu springen we maar ineens vijftien jaar vooruit. Théke was als missionaris naar Indië getrokken, ’n Mooie, forsche pater was ’t met ’n donkeren baard en ’n hart vol zielenijver. Hij wou Pater Frencken, die zich al lang dood gewerkt had voor Gods eer, navolgen. Na eenigen tijd werd hem ’n standplaats aangewezen; hij moest ’n ouderen pater helpen in ’t verzorgen van z’n reusachtige parochie. Na ’n dagje van rust, zouden ze samen te paard al de posten gaan bezoeken.

Ze kwamen bij den stal. Twee dieren stonden er, ’n oud en ’n jong.

~Da’s ’n wilde,” zei de oudere pater, naar ’t jonge paard wijzend, ~die zal ik maar nemen, want jij krijgt er zeker ongelukken mee, Dat andere is al oud en zoo mak als een lam. Daar heeft pater Frencken nog op gereden ”

Daar heeft pater Frencken nog op gereden! Die woorden klonken den jongen missionaris als muziek in de ooren.” Hij zou rijden op ’t paard van pater Frencken In z’n hart dankte hij den Lieven Heer voor die gunst en hij maakte opnieuw ’t vaste voornemen, den heiligen priester na te volgen en te zwoegen dag en nacht alleen voor God. En toen moest ie even glimlachen.

„Je lacht ?” vroeg hem z’n confrater.

„Ja,” was ’t antwoord, „ik heb er schik in, dat ’t pèèrd van