is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 74, 1924, no 439-444, 1924

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze zou Eduard zoo graag laten studeeren op haar kosten, maar ’t kon niet. En zoo droeg die arme vrouw het leed, dat hédr Ernest en z’n vriend hun roeping niet konden volgen.

Ze was daarom ook echt blij, toen ze vernam, dat er eindelijk voor Eduard een verandering kwam.

Toen de jongen eens bij den notaris mee aan ’t werk was, en deze vernam, waarom Eduard niet op studie was, verklaarde hij zich graag bereid de kosten van de studie te dragen.

De pastoor maakte er aanstonds werk van, en een paar weken daarna was Eduard leerling van ’n missieschool.

De tien jaren die volgden, gingen snel voorbij. En toen Pater Verhagen de eerste H. Mis kwam opdragen in zijn geboortedorp, was ’t er een feest zooals de menschen sinds lang niet gezien hadden.

Meneer Groot kon er niet meer aan deelnemen ; die had ’t vorig jaar ’n groote zerk gekregen op ’t kerkhof.

Mevrouw Groot was wel in de kerk, maar kón enkel bidden met haar tranen.

Ze dacht aan ’t groote geluk van de arme weduwe Verhagen. Dat geluk had zij ook kunnen smaken met Ernest. Maar helaas, die jongen was in de stad totaal bedorven ; nu was hij een zwendelaar en ’n doordraaier, die Frits voor de zaak liet zorgen.

En Frits, ja, dat was maar ’n zoutzak, die voor den handel ook niets waard was.

Ze zag ’t ai aankomen, dat heel de mooie zaak over den kop zou gaan. En wat zou zij dan aanvangen, en de arme Frits, en de ongelukkige Ernest !

’t Was ’n straf van God.

Toen ze ’s middags kwam feliciteeren, schreide ze weer, en Ernest die haar vergezelde, hield z’n oogen ook niet droog. Hij had weer gedronken en in ’n dronkemansvervoering hield hij de volgende aanspraak ;

„Pater ! gij zijt wat ge zijn moet; ik niet. —lk had