Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rustplaats te bieden. Er werd wat gegeten, een rozenhoedje gebeden en geslapen, totdat de hanen ons wakker kraaiden. Ik had mijn oogen nog niet goed uitgewreven of daar stonden reeds de kamponghoofden aan mijn rustbank, om mij naar de kampong te geleiden. Ik maakte het hun duidelijk, dat ik nog toilet moest maken. Ik gaf hun dus voor tijdverdrijf een cigaretje en liet hen een beetje wachten totdat ik, een jongen met een blik water achter mij, verdween in een verborgen hoekje aan het strand, om mij daar wat op te frisschen en van kleeren te verwisselen. Dat was gauw gedaan en in den kortst mogelijken tijd was ik terug en nu ging het naar boven, een goede tien minuten loopens. Mijn aankomst aldaar was mij waarlijk een verrassing: niets van dat schuwe en terughoudende, dat men gewoonlijk bij de eerste kennismaking vindt. Terstond werd ik naar een open woning geleid en op een wenk der Kepala’s kwamen terstond de mannen en ook de vrouwen, moeders met haar wurmen aan de hand en op den arm naar mij toe, zonder eenige vrees, netjes en beleefd mij de hand kussend volgens Christen-gebruik. Na de plechtigheid der eerste kennismaking werden terstond de kinderen op een rij geschaard, die het H. Doopsel moesten ontvangen. Ik kon met de deur in huis vallen en terstond aan het doopen gaan. Dat gaf mij hoop voor de toekomst; want er bleek orde en tucht te heerschen en eerbied voor het gezag, en dan is er wat aan te vangen! Terstond toog ik aan het werk, het spreekwoord indachtig: „men moet het ijzer smeden als het heet is!” Gauw mijn toog aangedaan en de namen opgeschreven. Soms is het een heele toer al die rare namen goed te verstaan en ook goed op te schrijven. Het waren er een dertigtal, de eerste zielenoogst van Noera-Belin. leder kreeg een briefje in de hand met heidenschen en Christen naam er op, alsmede leeftijd, op goed geluk geraden, en datum van het doopsel. Nu kon ik beginnen! Op begeleidende muziek uit jeugdige kinderketen, soms een ware helle-cantate, had ik gerekend. Maar het hoefde niet. Alles liep zoo kalm en godsvruchtig van stapel, alsof er heelemaal geen duiveltjes uit te jagen waren geweest. Na de plechtigheid deelde ik, ter verhooging van de feeststemming, nog wat

Sluiten