Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoorden we toevallig toch den naam Sep noemen, meenden we. We hebben de Javaansche taal nog niet heel en al onder de knie! We vroegen dus ons naar dat adres te brengen en werkelijk werden we bij katholieken gebracht. En de heer des huizes bleek te zijn de stationschef, door de Javanen «toewan Sep» (mijnheer de chef) genoemd.

Nu konden we onze afspraak maken omtrent de H. Mis, die den volgenden 'morgen om half zes, vóór diensttijd, in de woning van den Chef zou worden opgedragen. De andere katholieken woonden dichtbij. Derhalve alles ging nu naar wensch.

Den volgenden morgen gingen enkelen onder de H. Mis te Communie. We hadden dus de voldoening, ook deze menschen nog eenigszins geholpen te hebben. Maar nu ging het spoedig voort. Ons doel lag verder.

Wij hadden gehoopt in Parakan paarden te kunnen huren waarmee we den berg zouden kunnen opgaan. Dit bleek echter onmogelijk. Wij moesten een karretje nemen naar Ngadiredja, twee uur verder. Daar, zei men, waren paarden beschikbaar om de reis naar boven te maken.

In Ngadiredja echter begon de tegenslag eerst voor goed.

De assistent-wedana, een uiterst net en vriendelijk man, verzekerde ons dat de reis onmogelijk was, aangezien er op ’t oogenblik geen paarden te krijgen waren, geschikt voor een reis in de bergen.

Daar stonden we nu. Een zware stalen koffer met Misbenoodigdheden en een handkoffer met ’t verder noodige werden afgeladen door den koetsier, die ons ook niet verder brengen kon. Wat nu gedaan? De reis opgeven? Daaraan dachten we allerminst. We informeerden dus of er misschien verderop in ’t gebergte paarden te krijgen zouden zijn. De goede assistentwedana, die waarschijnlijk ons niet allen moed wilde benemen, antwoordde lakonisch: «Misschien!» We besloten dus het er dan maar op te wagen.

We zouden alvast maar beginnen te voet, en zien hoe ver we kwamen. Twee koelies werden gehuurd om de twee koffers te dragen en met vluggen tred begonnen we onzen tocht. Er

Sluiten