Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COSMAS KOEMOAL.

DOOR ZUSTER N.

De negen Woensdagen van den H. Jozef brengen ons weder in herinnering het beeld van hem, die op dit kiekje voor U ligt, in de laatste dagen van zijn aardsche leven, ’t Is geen bekoorlijk gezicht en geen aangename trekken vertoont hij U, onze goede Cosmas; maar omdat deze photo voor den Sint-Claverbond bestemd was, dachten wij een goede gelegenheid te hebben een paar woordjes te schrijven over Cosmas Koemoal, en een paar andere verpleegden uit ons hospitaaltje.

Het afsterven van Cosmas had onder omstandigheden plaats, die weer eens duidelijk deden zien,, dat O. L. Heer de armen, ook de armen van geest in letterlijke beteekenis, lief beeft, als zij ten minste van goeden wil zijn.

Wie dan was Cosmas? Een rasechte Alfoer, zwart als een Papoea en daarbij leelijk, als iemand maar leelijk zijn kan, een voorwerp van goedige spotzucht zijner makkers en dorpsgenooten, van zijn schooljeugd af, want hij was wat zijn familienaam aanduidt, „koal“, d. w. z. niet rijp.

Idioot was hij echter niet, bij lange niet; hij kon goed lezen en schrijven, zelfs bij feestelijke gelegenheden een mooie toespraak houden, en dat deed hij graag. Maar hij was niet zoo als een ander, en dan weet U zelf hoe het onder het jonge volkje gaat. Hij was erg graag mooi aangekleed, gebruikte des Zondags bij voorkeur verlakte of roode schoenen, een blauwe of groene das, en zijn hoogste genot was met een stuk of 3 boeken bij zich, een Congregatielint om, plus een rozenkrans in de hand, op een plaatje te staan.

Sluiten