Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zich in groepen over ’t hooge land verspreiden, dat men dan nog weinig stemmen hoort. De stille wijding van hun land heeft van de Finnen zwijgende menschen gemaakt. Zij willen niet de schoonheid en de stilte storen.

Van drie en drie en ’n half uur ver komen ze ’s Zondags loopen of rijden naar de Luthersche kerk; of steken, uren lang, de breede meren over (zie blz. 26). De kerken zijn gewoonlijk op een hoog uitstekende punt gebouwd, en zeer ruim. Er omheen ligt steeds een groote open plaats, waar honderden van lichte tweewielige Finsche wagentjes in lange rijen staan te wachten. Als nu de dienst gedaan is en al het volk weer buiten komt en heel die menigte daar samen is, dan blijft het stil rondom de kerk. Heel rustig gaan ze weer huns weegs. En zelfs als ’t groot zomerfeest is op ’t land, in Juni met St. Jan, dan maakt het volk een stil-blijen indruk; een vreugde van eenzame, ernstige menschen.

Maar de Finsche landman is meer dan stil en zwijgend; hij is somber en eenzelvig, schuw en stroef. En ook dit heeft hij gemeen met de natuur van z’n land.

Want al het schoone en bekoorlijke, dat wij bespraken, heeft Finland enkel in den zomer, die vier maanden duurt, van Juni tot en met September. Dan komt de barre winter en ligt het dichtgevroren in het ijs, dit land van graniet. Dan hangt soms maanden achtereen een grauwe nevel overal, of jaagt er wekenlang een sneeuwvlaag over ’t land, die al de menschen insluit in hun donkere hoeven, waar héél den dag door het schaarsche licht moet branden, om niet in duisternis te tasten. Dan wordt het somber in het land; de bosschen zijn spookachtig en akelig zwart in ’t nare duister. Men hoort geen stem, geen stap zelfs in de sneeuw; de boer, verborgen in zijn dichtgesneeuwd en dichtgevroren huis, ziet dagenlang zijn buurman niet: het wintert overal. Dan kan de Fin tijdenlang droomend voor zich uitstaren, en mijmeren; en luisteren, vol heimwee, omdat hij den waterval niet hoort, die stijfgevroren ligt; en luisteren, of hij soms de vorst hoort kraken buiten. Maar, geen geluid

In al die somberheid van dat triestige maandenlange schemerdonker, woont daar de Fin alleen, ingevroren in zijn hut, als een schipper in de Poolzee. Zoo komt er in dien langen harden

Sluiten