Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GELUKKIGE SOEDAR

DOOR L. VAN RIJCKEVORSEL SJ,

■isteren nog 200 gloeiend heet van felle koorts en nu al ijskoud. En midden in den nacht, om één uur, alléén, in een armoedig hospitaaltje, slechts omringd door een paar zieke desamenschen. Arme Soedar, moest je zoo sterven?

Dat waren mijn overpeinzingen toen het droevig bericht kwam van het overlijden van een leerling onzer Hollandsch-Inlandsche school. Ik heb hem maar twee dagen gekend, maar, God zij dank, twee dagen waren lang genoeg, om hem een plaatsje voor eeuwig in den hemel te bezorgen.

Soedar was een jongen van Poerworedjo, kind van mohamedaansche ouders. Poerworedjo is heel ver, maar O. L. Heer brengt ze van heel ver naar Moentilan. Telkenjare zag hij den blijden doopdag zie foto blz. 261 van zijne vrienden, medeleerlingen der H. 1.5., maar Soedar was nooit onder de gelukkigen. Immers moest hij niet naar de moskee? De vaccinateur, bij wien hij inwoonde, dwong hem daartoe en met de gehoorzaamheid of volgzaamheid Javaansche kinderen eigen, deed Soedar wat zijn kostbaas wenschte.

Dat moskee-bezoek kwam wel niet overeen met wat er omging in het diepste van zijn hart, maar het vooruitzicht van een berg onoverkomelijke moeilijkheden verhinderde, dat die stem uit het diepste van zijn hart haar volle klank en kracht kreeg en zoo bleef zijn overtuiging of liever zijn verlangen naar het

Sluiten