Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hut was leeg, zoodat Santosa zijn bebed vrij kon drogen.

De regen hield op. De zon scheen en strooide ontelbare diamantjes over het reuzen-natuurtapijt. Aan de schaduw merkte Santosa, dat het al over twaalven was. Reeds maakte hij aanstalte om weg te gaan, toen hij een klagend gepiep van achter 't hutje hoorde. Hij ging er op af en zag een kikker spartelen en kermen in den toegespitsten bek van een herdersjongen-slang (d.i. een sawah-slang, zoogenoemd omdat de herdersjongens er dikwijls mee spelen).

Santosa had medelijden met het arme kikkertje, maar wilde de slang ook niet berooven van haar vette vangst. Hij liet de slang derhalve met rust en ging heen zich vast voornemend, zijn medemenschen nimmer te zullen behandelen zooals de slang den kikker. En ineens zag Santosa zich geplaatst in het heerlijke licht van zijn toekomst-zon, wandelend door de fantastische tuinen van zijn prachtige luchtkasteelen, die zijn levendige jongensverbeelding zonder moeite had gebouwd.

Doch de honger hielp hem spoedig van zijn illusies af en dwong hem ernstg te denken aan zijn verplichtingen tegenover den inwendigen mensch.

’s Avonds bereikte hij Madioen en vond een onderkomen bij een Mantripolitie.

(V/ordt vervolgd.)

Sluiten