Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goeloe en de nem, welke op de piano ongeveer te vinden zijn bij es-bes, kl. oct.; hoogere tonen verkrijgt men niet zooals bij ons, door de snaar op den toets van de viool neer te drukken, doch door ze zwevend te verkorten. Een met paardenhaar los bespannen strijkstok bespeelt de rebab, en ontlokt aan haar tonen van een geheimzinnig mediteerend timbre, buitengewoon passend voor de taak, die de rebab te vervullen heeft, als ze in de stille avond of bij een beschrijvende wajang-passage, sereen-rustig, de komende muziek inleidt, en verder als een diepe alt, door gendèr en gambang heenzingt, ver weg in d| donkerte

Een tweede snaren-instrument is de tjlempoeng, die echter bij meerdere gamelans ontbreekt. Het is een djati-houten klankkast, met in het midden de resonnantie-opening.

Rebab.

Deze is bespannen met 13 tot 18 snaren'), die met de nagels der beide duimen worden betokkeld, terwijl de doortrillende toon gedempt wordt, door de snaar zacht met de vingers aan te roeren. Haar toongebied begint ongeveer, waar onze orchest-a ligt en strekt zich dan twee en halve gembflMflan (octaaf) naar boven uit. |

De soeling is in de gamelan het eenigste blaas-instrument, n.l. een eenvoudige, schrille lengte-fluit, uit bamboe vervaardigd, met 4—'6 toongaten. De buisopening is aan den kant van het

') Het varieerend aantal snaren of toetsen bij de instrumenten komt voornamelijk hiervandaan, dat de sléndro-toonladder uit vijf, de pélog uit zeven tonen bestaat.

Sluiten