Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Siti aan haar ouders durven vertellen. Nu deed ze het gansche relaas: van braafheid zonde en val en de straf. Hoe diep ongelukkig ze nu was!

Na een jaar van vermeend geluk, was haar echtgenoot gekomen en had, zonder eenig gevoel voor de grievende pijn, die hij deed aan een vrouwenhart, aan zijn echtgenoote bekend gemaakt, dat hij, volgens de adat zijner standgenooten, besloten had, naast haar een tweede echtgenoote te kiezen. Zijn keus was reeds bepaald: de dochter van een collega zou zijne bruid worden.

Dat was eene mededeeling, die in de Javaansche maatschappij als de natuurlijkste ter wereld gold: de man had niet de minste bedoeling haar te grieven. Maar in Siti, het meisje met zulk een opvoeding, lijnrecht ingaande tegen die heerschende begrippen, kwam alles in opstand. Zij was opgevlogen als een doodelijk gewond dier. Zulk een vernedering, daar had zij met haar Europeesche, of liever Katholieke opvoeding, nooit aan gedacht. Dat kon ze niet dragen.

En dan, wat zou zij voortaan beteekenen tegenover die rivale, die regents-dochter? Een hoekje in huis, in de keuken, een leven van bitterheid en jaloezie, niets anders schoot haar over.

Een vreeselijke scène van verwijten en tranen was gevolgd. En haar man begreep haar niet, kon haar ook niet begrijpen: dat was immers zoo natuurlijk en geheel volgens den adat!

Den volgenden dag was hij teruggekeerd, informeerde of zij erin berustte. Neen, nooit zou zij berusten: zij wilde die andere niet ontmoeten, niet zien. Het onvermijdelijke volgde. Een serat-pegatan (scheidingsbriefje) werd haar gegeven, en de arme, verstooten Siti ging heen terug naar haar ouders.

Haar vader was geweldig boos, noemde haar een zottin, omdat ze over zoo iets kwaad werd: een meisje vol trots: de schande zijner familie, een domme Christin. Dat kwam nu van die opvoeding bij de Europeanen.

Haar moeder begreep haar evenmin, was stuursch tegenover haar. „O, was ik maar dood”, schreef Siti aan Josefien.

Bij niemand kon ze haar wanhoop klagen, tenzij bij haar oude vriendin, die zou haar niet haten, ofschoon ze een afvallige was. Ze had haar immers nog onlangs bezocht.

Sluiten