is toegevoegd aan uw favorieten.

Geneeskundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, 1912, 01-01-1912

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een te schoone kans geboden wordt aan de pest zich hier te nestelen, zooals dan ook eindelijk is gebeurd.

Bijgaande kromme lijnen geven aan:

le. (Zie grafiek IX). Het maandelijksch vervoer in de jaren 1909, 1910 en 1911 van Britsch-Indische en Zuid China rijst van uit de stations Prins Hendrik, Kalimas en Soerabaija, voornamelijk naar Oost- en gedeeltelijk naar Midden Java. Slechts voor een zeer klein gedeelte is deze hoeveelheid door de Westerlijnen overgenomen.

2e. (Zie grafiek X). Maandelijksch vervoer in dezelfde jaren naar Kediri.

3e. (Zie grafiek XI). Maandelijksch vervoer in dezelfde jaren naar Malang, en de Malang Stoomtram Maatschappij. 4e. (Zie grafiek XII). Maandelijksch vervoer in dezelfde jaren naar Singosari, Blimbing en Kepandjen en Soember Poetjong.

Opvallend is dat de grootste toevoer naar geheel Oost Java (zie grafiek IX), naar Kediri (zie grafiek X), Malang (zie grafiek XI) en Kepandjen (zie grafiek XII) valt in de maand September. De groote sterfte onder de bevolking te Kepandjan in November (zie grafiek VII) kan daarmede in verband staan.

De van de bevolking verkregen informatie, dat tijdens den poeasatijd een groot aantal ratten aanwezig waren, en dat deze kort na de poeasa waren verdwenen, terwijl vele doode ratten gezien werden, verschijnt in een opmerkingswaardig licht, als men nagaat dat de Mohammedaansche vasten (poeasa) in 1910 viel in de maand September, dus juist in den tijd van den grootsten rijstinvoer uit besmette streken.

De stationschef van Sidhoardjo verklaart, in deze wagonladingen, afkomstig van de stations Kalimas, Prins Hendrik en Soerabaija, bestemd voor Malang, meermalen doode ratten gezien te hebben en daarover in April 1911 aanzijn directen Chef te hebben gerapporteerd.

Door den Chef der Exploitatie O/L werd mij zulks bevestigd.

11