is toegevoegd aan uw favorieten.

Geneeskundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, 1912, 01-01-1912

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

snuit is niet lang genoeg om door de kleeren heen te steken, zoodat zij alleen op onbedekte plaatsen kunnen steken, als hoofd en handen. Zij zijn zoo klein, dat men ze ternauwernood ziet, ook is de steek niet pijnlijk en vlug afgeloopen, alleen op het allerlaatste oogenblik voelt men iets prikken, zoodat het slechts zelden gelukt het beestje te vangen. De gestoken plek begint onmiddellijk op te zwellen, welke zwelling na eenigen tijd de uitgestrektheid van een cM. bereikt met een gevoel van jeuk en branderigheid, en is omgeven door een rooden rand. Na eenigen tijd verminderen al deze verschijnselen, het branden houdt op en er blijft een licht jeukend gevoel over. Vermijdt men te krabben, dan blijft de zaak hierbij. Na 24 uur is de steekplaats nog te zien op de huid van een Europeaan en doet zich dan voor als een speldeknopgroot vlekje, iets verheven boven het oppervlak en duidelijk te voelen. Ook dit verschijnsel vermindert langzamerhand, doch na 2X24 uur is er nog iets te vinden. Andere keeren komt het voor, dat na 24 uur de steekplaatsen weder opzwellen, doch nu geen „Quaddel" vertoonen. Deze plekken branden niet, maar jeuken matig en daar men in den regel vergeten is, dat men door een Agas gestoken is, kan het gebeuren, dat men niet weet, welke ziekte men heeft. Inlanders met hunne donkere huid, met hunne mindere gevoeligheid hoort men in den regel niet klagen; bij hen komt het meest alleen tot een pijnlijk steekje; van roodheid, van zwelling, van een „Quaddel" hoort men niet. Voor Europeanen en voornamelijk de blonden zijn de steekjes erg lastig.

Deze beestjes houden zich op in de buurt van het water. Het schijnt, dat ze ook op sommige tijden van het jaar erger optreden dan op andere tijden. Voor zoover ik weet, komen deze diertjes op verschillende plaatsen in Nederlandsch-lndië voor. Reeds Dr. van der Burg spreekt in zijn „Geneesheer in Nederlandsch-lndië" enkele woorden over deze onaangename diertjes, zonder evenwel den wetenschap-

17