is toegevoegd aan uw favorieten.

Geneeskundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, 1913, 01-01-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan is de maximale levensduur in hongerenden toestand

slechts 16 dagen.

Deze proeven werden te Malang genomen in Mei en Juni 1912 bij een temperatuur van 24° en een relatieve

vochtigheid van 82—83°/0.

Te Soerabaia nam ik dergelijke proeven in November, bij een temperatuur van 27-28° en een relatieve vochtigheid van 67—70°/0. Van 90 vlooien leefden er na 5 dagen nog 4, na 7 dagen waren ze alle dood. De levensduur der hongerende vlooien is hier dus veel geringer dan te Malang.

Dr. Pijl, die in December 1911 (temperatuur 27° en vochtigheid 80°/0) dergelijke proeven nam, zag bij hongerende vlooien een levensduur van ten hoogste 5 dagen, wat er wel op schijnt te wijzen, dat het vooral de hoogere temperatuur is, die te Soerabaia den levensduur der hongerende vlooien verkort.

5. Over den afstand, die Xenopsylla cheopis kan afleggen.

De afstand, dien X. cheopis kan afleggen, om van den eenen gastheer naar den anderen te komen, is niet bekend en toch is dit voor de epidemiologie der pest van het grootste belang, daar men door deze kennis alleen kan bepalen, hoever een pestrat van den mensch verwijderd moet zijn, om geen direct gevaar meer op te leveren.

Bij de proeven, die hiertoe genomen werden, trachtte ik zooveel als mogelijk de natuurlijke verhoudingen te reproduceeren en te zien, welke afstanden een vloo kan afleggen, wanneer ze een rat verlaat die gestorven is.

a. in den nok van het dak,

b. in een horizontale bamboe (blandar)

c. in een gat onder den grond in huis.

a. De vlooien komen van een rat, gestorven

in den nok van het dak.

In een huis met gecementeerden vloer werd middenin aan de nokbalk een kooi opgehangen, met een rat met 60 X.