is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 1, 1864-1865, no 49, 02-04-1865

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B IJ B L A. D / mj TOT HET PHARMACEUTISGH WEEKBI

van 2 April 1865, No, 49. Bevattende: Beraadslagingen over Ontwerp 111 der Wet op de Geneeskunst.

Uittreksels uit redevoeringen, gehouden inde Tweede Kamer, hij de behandeling der Geneeskundige wetten, betrekking hebbende op pharmaceutische belangen. Ontwerp 111. Zitting van 22 Maart. Beraadslaging over art. 9. „De geneeskundigen die zich vestigen in plaatsen in welke geen apotheker gevestigd is, hebben, zoolang zij daar gevestigd blijven, de bevoegdheid tot het afleveren van geneesmiddelen. Die bevoegdheid strekt zich ook uit tot andere plaatsen , in welke geen apotheker gevestigd is. „Zij , die van deze bevoegdheid tot het leveren van geneesmiddelen gebruik maken, houden steeds schouwbaar voorhanden naauwkeurige •ïiaten, gewigten, balansen en de geneesmiddelen, voorkomende op eene lijst door hen opgemaakt, en door den inspecteur voor gezien gerekend. Op deze lijst mogen niet ontbreken de geneesmiddelen , bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan te wijzen. »Zij stellen eenen sleutel, gelijk werkende als die welken zij zelven bebben , van het vertrek waarin de geneesmiddelen, en eenen van de bast, waarin de vergiftenbewaard worden, aan den inspecteur ter hand. »De geneesmiddelen mogen door geenen anderen dan door hen of door eenen hulpapotheker of leerling-apotheker ter aflevering gereed gehaakt worden.” De heer Wesferhoff'. Wij moeten weten wat de wet hier Onder plaatsen verstaan wil hebben, en waar de grenzen van zoodanige plaatsen te zoeken zijn. Dit moet duidelijk en ondubbelzinnig uit de Wet blijken, aangezien het anders dikwijls zal gebeuren, dat een geneeskundige als overtreder der wet door de justitie opgepakt en in eene Cel opgesloten wordt, ten einde daar, in stille afzondering ,te overpeinzen wat toch wel, inde bedoeling der wet, eene plaats kan zijn I en waar men hare grenzen te zoeken hebbe. Voor dat ik van dit punt afstap , veroorloof ik mij nog een paar Vragen tot de Regering te rigten , die eveneens beantwoord dienen te borden. De eerste die ik ook reeds bij de opmaking van het Yoorloopig Verslag deed, doch die onbeantwoord is gebleven ,is deze; mag de geneesheer , later gevestigd in eene plaats waar een apotheker gevestigd is en dus onbevoegd om in die plaats geneesmiddelen te leveren , elders, Waar dit het geval niet is, dat wil zeggen op plaatsen alwaar geen apotheker gevonden wordt, geneesmiddelen afleveren ? Met andere Woorden , mag hij zieken hebbende buiten den verboden kring, buiten bet privative veld van den apotheker aan die zieken ook geneesmiddelen afleveren ? De redactie van het artikel en geheel de geest der wet schijnen wel tot eene ontkennende beantwoording te leiden; doch ook op dit punt moet geen twijfel bestaan maar moeten wij zekerheid hebben. Want, Mijnheer de President, wordt die vraag ontkennend beantwoord, ! dan wordt dit artikel, zoo mogelijk , nog onaannemelijker en de toestand der inwoners van de plaats , in w'eike de apotheker gevestigd is , uog veel ondrageiijker. Wat toch zal er dan gebeuren ? Ongetwijfeld 1 dit, dat zich binnen de grenzen van zoodanige plaats nooit ofte nim| nier een geneesheer zal vestigen , want dc patiënten buiten den verboden ki na wonende zullen zich bedienen vaneen nabij wonend geneesheer, | uie dun geneesmiddelen mag leveren; daaraan zijn zij sinds eeuwen her gewoon; dat is in hun oog beter en vcrkieslijker; op die medicamenten, ■'oor den geneesheer zelven bereid, stellen zij meer vertrouwen ; en bovendien is het ook minder kostbaar, want dan hebben zij slechts *Uet één , anders met twee personen , die er van moeten leven , te doen. • De Minister schreef inde Memorie van Toelichting op art. 9 wet lil van zijn eerste wetsvoorstel op bladz. 2 : »Het beginsel, dat de geneeskundige niet dan bij uitzondering geen geneesmiddelen mag ‘■leveren , behoeft, na dc vroegere wisseling van denkbeelden daarover, wel

geeue verklaring meer" ; terwijl hij later inde Memorie van Toelichting op het lilde wetsvoorstel inde zitting van 1863—1864 (stuk LU , no. 1) ingediend, daaromtrent het volgende heeft te kennen gegeven ; '.Omtrent het beginsel dat de uitoefening der artsenijbereidkunst van de geneeskunst gescheiden behoort te zijn, beslaat slechts weinig verschil van gevoelen. Hat verschil bestaat alleen over de uitbreiding, die er aan de uitzonderingen op het beginsel moet gegeven worden , en over de grondslagen die men voor die exceplien inde wet behoort vast te stellen.” Met bevreemding, Mijnheer de President, hebben wij dit gelezen en ons verwonderd, dat de Minister zich zoo korf en zoo gemakkelijk van deze zaak heeft afgemaakt, zonder in eenige beschouwing of wederlegging te treden van de bezwaren inde Voorloopige Verslagen der Kamer tegen dit beginsel aangeveerd. Het heeft ons bevreemd , omdat er uit blijkt, öf dat de Minister de vroegere wisseling van denkbeelden daarover inde stukken der Kamer ter neder gelegd niet gelezen heeft, öf dal hij het gevoelen van de meerderheid der Kamerleden in deze van zoo weinig beteekenis heeft geacht, dat hij het niet noodig heeft geoordeeld daarop eenig regard te slaan. Op bladzz. 18, 19 en 20 van het Yoorloopig Verslag der Kamer, uitgebragt op den sdeh Mei inde zitting der Kamer van 1857—1858, alwaar deze zaak in het breede behandeld is geworden, had de Minister toch kunnen zien, dat de meerderheid der Kamer in dezen het bestaande wilde gehandhaafd hebben en er dus voor was dat de geneeskundigen ten platten lande bij voortduring geneesmiddelen aan hunne zieken bleven leveren. Op bladz. 18 van dat verslag lezen wij toch bij art. 22 onder anderen dit: ..Ofschoon er leden waren , die met de Regering, om den stand van geneeskunstoefenaar zooveel mogelijk van dien van apotheker te scheiden, het hier voorkomend verbod der levering van geneesmiddelen door den eerstgenoemde!) goedkeurden, zag de meerderheid daarin zeer groei bezwaar, en zon men van die zijde nimmer zijn zegel kannen heelden aan bepalingen , waardoor in dit opzigt hel bestaande niet gehandhaafd wierd. tien wilde derhalve dal bij voortduring hel aan den doctor inde genees- heel- en verloskunde, of, voor zoover de wet de eenheid van stand niet erkent, aan dien ineen dezer takken, vrij zou staan, ten platten lande en inde kleine sleden geneesmiddelen te leveren." Uit deze woorden betrekkelijk deze zaak, die in dat verslag uitvoerig ontwikkeld eu behandeld is gewordeu, blijkt, dunkt mij, zeer duidelijk wat de meerderheid der Kamer destijds wilde. In het later Yoorloopig Verslag der Kamer over de wetsvoorstellen betrekkelijk de regeling van de uitoefening der geneeskunst enz. uitgebragt inde zitting der Kamer in 1858—1859, is deze zaak wederom in het breede behandeld, en de Minister zal daar iu art. 8 op bladzz. 17, 18 eu 19 kunnen zien, dat dit beginsel door de Kamer niet is losgelaten, maar na'der verdedigd is geworden. Eu zou de meerderheid der Kamer later omtrent dit beginsel van meening veranderd zijn? waardoor ? Wie heeft het iu genoemde verslagen ontwikkelde gevoelen bestreden ol tegen de daar aangevoerde gronden andere , betere eu meer afdoende gronden overgesteld ? Voor zooyer wij weten niemand, eu de Regering heeft zelfs niet beproefd een enkele der aaugevoerde argumenten te wederleggen oi te ontzenuwen. Al wat de Regering gedaan heeft om haar beginsel te steunen zoo het steunen genoemd mag worden of te regtvaardigen is dit, dat zij inde Memorie van Beantwoording (stuk LU n°. 12, bladz. 14, zitting 1863 1864) gezegd heeft; >l)e ondervinding in ons land schijnt over het algemeen geleerd te hebben, dat de inrigting der apotheken en de bereiding der geneesmiddelen bij de geneeskundigen ten platten lande verre achterstaal bij die iu de apotheken onzer sleden.” Voor zoover mijne ondervinding strekt, Mijnheer de President, moet ik dit bepaald tegenspreken en deze blaam , zoo maar los weg en ongemotiveerd op mijne kunstbroeders geworpen , terugwerpen. Van de inrigting der apotheken – die overigens naar bet voorschrift is der daaromtrent van hooger hand uitgevaardigde bepalingen , waarop de provinciale geneeskundige commissien het toevoorzigt uitoefenen zal ik met spreken, aangezien wij daarmede hier niets te doen hebben; doch wat de bereiding der gemetz middelen betreft, deze staat ten platten lande niet verre ten achteren bij