is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 3, 1866-1867, no 24, 14-10-1866

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bladz. 2. c. Flantenlcunde. Aigemeene kennis van organographie, anatomie en physiologie der phanerogamen en van de hoofdgroepen der cryptogamen , van het natuurlijk en het kunstmatig stelsel, en van eenige natuurlijke familiën. Determineren van eenige planten naar de Latijnsche beschrijvingen.

d. 'Natuurlijke geschiedenis van dieren en delfstoffen. 1. Algemeene verdeeling der dieren , speciaal de kennis van eenige dieren die geneesmiddelen leveren; 3. het voorkomen der delfstoffen inde natuur, inzonderheid van diegene, welke voor den apotheker belangrijk zijn. Verdeeling, hoofdgroepen, zamenstelling van de voornaamste vertegenwoordigers. e. De Commissie was eenparig van oordeel, dat het onderzoek naar „de kennis en geschiktheid noodig tot het gereed maken van recepten” , die sub lit. e van art. 8 der wet van den hulpapotheker, in art. 7 zelfs van den leerling-apotheker gevorderd wordt, zich behoort te bepalen : 1. tot de zoogenaamde simplicia, en wel tot de meest gebruikelijke daarvan; 2. tot praktische bekwaamheid en vaardigheid inde apotheek, waarbij inzonderheid gelet zal worden, of de candidaat scheikundige en pharmaceutische kennis weet toe te passen op het doelmatig behandelen en mengen der verschillende ingrediënten , dat eqn hoofdvereischte is inden apotheker. Ten aanzien der uitvoering van het examen werd aan. genomen, dat het stelsel van compensatie niet in toepassing zal worden gebragt; dat, zoo de candidaat doet blijken dat hij geene genoegzame kennis bezit van talen en wiskunde, voor zoover noodig tot beoefening der natuurkundige wetenschappen , het examen niet zal worden voortgezet, op grond van art. 8, alinea 3 der wet van 1 Junij 1865 (Staatsblad No. 59); dat in het algemeen het voldoen in alle vakken, door de wet aangewezen, de voorwaarde zal zijn tot het verkrijgen eener acte van bevoegdheid als hulpapotheker; dat, als de candidaat niet voldoet in het theoretisch gedeelte van het examen, hij niet tot het praktische zal worden toegelaten; eindelijk , dat de volgorde der vakken bij het examen dezelfde zal zijn , als die ook inde wet is in acht genomen. Om tot het examen, op het aanvankelijk bepaalde, doch bij beschikking van Uwe Excellentie dd. 15 Junij jl., tot 37 Augustus 1866 uitgestelde tijdstip te worden toegelaten , hadden twintig candidaten zich aangemeld. Tussohen genoemde tijdstippen hebben vier zich teruggetrokken en is één overleden , zoodat vijftien overbleven , die zich allen aan het examen hebben onderworpen. Slechts één dier candidaten moest, overeeeukomstig art. 8, alinea 3 der wet {Staatsblad No. 59) blijken geven van voldoende kennis der Nederlandsche, Latijnsohe, Pransche en Hoogduitsche talen en van de wiskunde, zoover noodig tot beoefening der natuurkundige wetenschappen. By Jaatst bedoeld onderzoek heeft de Commis' sie zich bepaald tot de kennis der behandeling van gebrokens , de eigenschappen van evenredigheden, het ge-

bruik van, loganthmen, de oplossing van stelkundige vergelijkingen mei een en meer onbekenden , tot en met de vierkantsvergelijkingen , alsmede de inhoudsbepaling der voornaamste vlakke figuren en ligchamen. Om de kennis der Latijnsohe taal te beoordeelen, heeft de Commissie eene naanwkeurige overzetting gevraagd van enkele voorschriften der Pharmaoopoea Neerlandica , nadat zij onderzocht had , of de candidaat zich behoorlijk schriftelijk , zonder grove fouten , wist uitte drukken inde Nederlandsche taal. Wat het Fransoh en Hoogduitsch betreft, is enkel gevorderd geworden, dat men daarin genoegzame bedrevenheid aan den dag legde om natuuren scheikundige werken in die talen te kunnen lezen en verstaan. De bedoelde candidaat, die , ten gevolge van verzuimde inschrijving bij eene voormalige plaatselijke of provinciale geneeskundige Commissie blijken moest geven van voldoende bekwaamheid in wiskunde en talen , bleef daarbij zoo ver beneden het middelmatige, dat de commissie eenstemmig van oordeelwas , dat hij te weinig voldeed aan de vereischten , welke bij meergemeld art. 8 gesteld zijn , om tot het natuurkundig examen toegelaten te worden. Het examen inde physica heeft zich bepaald tot de kennis van die werktuigen , met wier inrigting en gebruik de aanstaande pharmaceut behoort vertrouwd te zijn , als daar zijn : balans , thermometer, barometer, manometer, araeometer, mikroskoop , galvanische elementen , enz. Vooral heeft de Commissie gemeend dezen eisch te mogen en te moeten doen, dat de candidaten een behoorlijk begrip hadden van naauvvkeurig meten en wegen , en het heeft haar bevreemd , dat de meesten , in dat opzigt ook, veel te wenschen overlieten. Ofschoon overtuigd van de hooge belangrijkheid eener grondige kennis der scheikunde voor den aanstaanden apotheker , begreep de Commissie bij dit eerste examen na de .invoering der nieuwe wet hare eischen niet te hoog te moeten stellen , en bepaalde zij zich dus voor ditmaal, behalve tot algemeene beginselen , zoo als aéquivalentenleer, allotropie, isomerie enz., tot de behandeling van zulke stoffen , die in meerdere of mindere mate in betrekking staan met die, welke inde Pharmaoopoea Neerlandica worden vermeld. Zoo werden bijv. vragen gedaan over de niet-metalen en hunne voornaamste verbindingen , over de belangrijkste metalen en hunne verbindingen , alsmede over de qualitative en quantitative bepalingen van enkele stoffen. Op het gebied der organische scheikunde bepaalde het onderzoek zich inden regel tot de behandeling der plantenzuren, plantenbases, de zoogenaamde koolhydraten, vetten, aetherische oliën, eenige voorname gluoosiden en alcoholen; vooraf werd de elementaire analyse van eenige organische verbindingen besproken. Niettegenstaande ook deze eischen, naar het oordeel der Commissie , niet te hoog gesteld waren, was de uitkomst van haar onderzoek alles behalve gunstig, daar van de vijftien geëxamineerden slechts drie konden worden toegelaten; eene uitkomst welke, naar hare meening, grootendeels is toe te schrijven aan gebrekkige op-