is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 6, 1869-1870, no 16, 15-08-1869

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PHABMACEETISCH WEEKBLAD YOOR NEDERLAND. ONDER REDACTIE YAN R. J. OPWIJRDA, Apotheker te Nijmegen.

Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhan-1 Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomen te delaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per Jaargang,! zien, gelieve men franco in te zenden aan den Eedactenr franco per post, ƒ 4.50. | te Nijmegen, vóór Woensdag. Prijs der Advertentiën: van 1 tot 6 regels ƒl, , elke regel meer 15 ets., en 10 ets. voor een N°. van het Blad, Brieven franco.

©e Jaargang'.

ZONDAG 15 Ang'ustns 1869.

jV°. ig.

Mededeelingen. Ingezonden stukken. VONNIS TE ARNHEM 1). Vonnis inde zaak van het Openbaar Ministerie, ambtshalve klager, tegen Theodorus Johannes van den Heuvel, oud 43 jaar, koopman, geboren en wonende te Arnhem, Aangeklaagd dat hij, zonder Apotheker of geneeskundige bevoegd tot het afleveren van geneesmiddelen te zijn, op den 17 Maart jl. in zijnen winkel te Arnhem aan de agenten van politie aldaar Dirk Janssen en Jan Hendrik Haverkamp heeft verkocht twee doosjes, iedei; inhoudende 25 zoogenaamde Urbanus pillen, in ieder 35 stuks, in welke pillen is bevonden aanwezig te zijn eene hoeveelheid van hoogstens drie Nederlandsche wichtjes rabarber (radix rhei in pulvere) en even zooveel aloë (gummi aloës). De Arondissements-Eechtbank te Arnhem , rechtspreken- j dein correctioneele zaken, Gezien het exploit van dagvaarding óp den 13 Juni ( 1869, aan den beklaagde beteekend, Gezien het proces-verbaal den 17 Maart 1869, dooide agenten van politie te Arnhem D. Janssen en J. H, Haverkamp, ten laste van den beklaagde, ter zake voorschreven, opgemaakt, Gehoord de mondelinge en beëedigde verklaringen van de getuigen, door het openbaar Ministerie tot bezwaar gedagvaard, Gezien het rapport der benoemde deskundigen 15. Miedema en C. W. Kuijk, apothekers te Arnhem, den 19 Mei 1869 en het proces-verbaal hunner beëediging voor den Eeohter-Commissaris 36 Maart 1869, Mede gehoord de conclusie van het Openbaar Ministerie ten deze vertegenwoordigd door den heer Substituut-Officier van Justitie bij deze Eechtbank Mr. G. A. Yisscher, door hetzelve voorgelezen en daarna in geschrifte overgelegd, daartoe strekkende: // dat de Eechtbank met toepassing van artikel 30 en 31 der Wet van 1 Juni 1865 {Stbl. no. 61), art. 1 der wet van 22 April 1864 (Stbl. no. 29), alsmede de beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 10 Nov. 1865 no. 273, den beklaagde zal veroordeelen tot eene geldboete van 1) Zie N°. 10. De heer van den H. is van zijn vonnis in booger beroep gekomen. Met de meeste belangstelling zien wij in dezen de uitspraak van den Hoogen Kaad tegemoet. Wordt het vonnis der Arnbemsche Rechtbank bevestigd, dan is het geneeskundig Staatstoezicht inde mogelijkheid om een einde te maken aan den ouredelijken en vaak zeer precairen handel door onbevoegden in dusgenaamde geheimmiddelen, die wezenlijke bij de Wet aangeduide geneesmiddelen bevatten.

vijf en twintig gulden met bepaling, dat de boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, vervangen zal worden door gevangenisstraf van vijf dagen, tevens met veroordeeling van den beklaagde inde kosten van het rechtsgeding , deze kosten des noods bij lijfsdwang te verhalen, Eindelijk gehoord de beklaagde in zijne antwoorden en middelen tot verdediging; Al de vormen bij de wet voorgeschreven in acht genomen zijnde; Overwegende wat de daadzaken betreft, dat door de volledige bekentenis van den beklaagde ter openbare terechti zitting dezer rechtbank afgelegd en door de beëedigde verklaring van den agent van politie te Arnhem, Dirk Janssen, wettig en overtuigend is bewezen, dat de beklaagde als gepatenteerd koopman en winkelier te Arnhem, doch niet j zijnde apotheker, hulp-apotheker of leerling-apotheker, of geneeskundige, bevoegd tot afleveren van geneesmiddelen, in zijne voor een ieder toegankelijke winkel op j Maart 1869 aan dien getuige en aan den agent van politie te Arnhem Jan Hendrik Haverkamp heeft verkocht twee doosjes, ieder doosje inhoudende 25 stuks zoogenaamde ürbanus pillen volgens gedrukt étiquette in ieder doosje, waarin onder anderen te lezen staat: Hoofddepót te Haarlem, weduwe Kennen en Zoon, apothekers en chemisten, voor wolken koop de beklaagde in persoon heeft ontvangen uit handen van de beide genoemde agenten van policie eene som van vijf en zeventig, cents; Overwegende dat door diezelfde bewijsmiddelen, te weten, de bekentenis van den bovengenoemden getuige D. Janssen, mede wettig en overtuigend is bewezen, dat die Urbanus-pillen geheel ongeschonden in denzelfden toestand, waarin zij door den beklaagde zijn verkocht, op 26 Maart 1869 door den rechter-commissaris belast roet de instructie der strafzaken bij de rechtbank te Arnhem in tegenwoordigheid van den beklaagde zijn overgegeven en ter hand gesteld aan de heeren Bernardus Miedema en Christiaan Willem Kuijk, door den rechter-commissaris voornoemd benoemd en beëedigd als deskundigen, ten einde die Urbanus-pillen scheikundig te onderzoeken, zooals ten allen overvloede ook nog wettig en overtuigend is gebleken door het daarvan ter openbare terechtzitting voorgelezen door den rechter-commissaris op gemelden datum opgemaakt proces-verbaal, mede door den beklaagde, dien getuige en de deskundigen onderteekend; Overwegende dat door die beide genoemde apothekers als getuigen , onder eede gehoord, wettig en overtuigend is bewezen, dat zij na op 26 Maart 1869 door den